literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Wonderlicke avontuer van twee goelieven - vechten voor je geluk
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Geld maakt niet gelukkig, zegt het spreekwoord, maar het is wel handig als je het hebt. Veel mensen dromen van de hoofdprijs in de loterij, zonder te geloven dat het lot ooit op hun nummer zal vallen. Maar je hoeft helemaal niet afhankelijk te zijn van zo’n kansspel, vertelde een roman uit 1624. In West-Indië ligt voor iedereen een fortuin klaar. Voor de hoofdpersonen uit Wonderlicke Avontuer van twee goelieven (Wonderlijk verhaal over twee geliefden) was het een beloning voor hun jarenlange trouwe strijd voor elkaar.

Wonderlicke avontuer van twee goelieven - vechten voor je geluk
auteur onbekend, 1624

Begin 1624 werd in Leiden Den Italiaenschen Waerseggher uitgegeven, een ‘prognosticatie’ (voorspelling) voor het pas begonnen jaar, gevolgd door een zelfstandig verhaal: het Wonderlicke Avontuer van twee goelieven. Het boekje was duidelijk bedoeld voor een groot publiek: eenvoudig uitgevoerd, gedrukt in de toen gewone gotische letter. De normale drukletter van nu, de romein, diende rond 1620 voor geleerde lectuur. Prognosticaties en almanakken waren populair, je kon ze op straat kopen bij marskramers. Ze bevatten op de astrologie gebaseerde voorspellingen over het weer, de oogst, oorlogen, epidemieën, politieke veranderingen enz. De combinatie met een apart verhaal was ongewoon, maar dit verhaal was zorgvuldig aan de prognosticatie vastgeknoopt omdat het eindigde in december 1623. Het werd als volgt aangekondigd:

Hier beneffens gaat een wonderlijke avontuur van Meneer Waterbrandt ende Wintergroen, ende [ik] verhope, alzo [nu] zij na alle verdriet ende tormenten, tot blijdschap ende rijkdom gekomen zijn, dat alzo ook het toekomende jaar van droefheid in blijdschap veranderen zal.

De bijbehorende titelprent beloofde allerlei avonturen, met aan het eind een schat. De suggestie was duidelijk: een relaas dat heet van de naald was opgeschreven en dat met veel geld eindigde. Kon zoiets echt gebeurd zijn? De auteur, die verder anoniem blijft maar wellicht uitgever Nicolaes Geelkerck is, doet er alles aan om de schijn van realisme te wekken, niet voor niets zoals uiteindelijk zal blijken.

Het Avontuer begint in Oost-Friesland, ten oosten van de provincie Groningen. In Oost-Friesland woonden veel Nederlandse, meestal protestante, vluchtelingen en daarom steunden de Staten-Generaal dit gewest. Of de soldaat Waterbrandt en zijn meisje Wintergroen vluchtelingen zijn wordt niet duidelijk, maar in elk geval zijn ze smoorverliefd. De ouders van het meisje hebben echter andere plannen en de kansloze Waterbrandt vertrekt naar de oorlog. Wintergroen verzint een list. Ze laat zich lekker verwennen door de oude man die haar ouders voor haar hebben gekozen en spaart al het geld dat hij haar toestopt om de bruiloft voor te bereiden. Als die echt niet meer uitgesteld kan worden:

zo heeft zij op enen zondag des avonds haar heel geveinsd, dat zij haar speelnood [vriendin] ging bezoeken, al haar beste klederen aantrekkende, en medenemende alles dat geld weerd was: doch alszo het op dien avond een aflopende tije was, zo heeft ze haar muilen [schoenen] op den kant van het water gesteld, ende in plaatse van haar te verdrenken, heeft zij een schort om haar hoofd geslagen, ende is de ghehele nacht gewandeld, tot des morgens vroeg, ende een schip gevonden hebbende, is naar Groningen gevaren, ende alzo voorts naar Leeuwarden, ende zeide in haar eigen geest, ’t is beter dat mijn ouders een ure droevig zijn, dan dat ik alle mijn leven lank met een oud grijsaard gekweld zoude wezen.

In Friesland komende, zo ging zij dadelijk bij enen kleermaker, verzoekende dat hij haar een pak klederen maken wilde, hem diets [duidelijk] makende, dat zij enen broeder hadde, die tegen dank [tegen de wil] van vader ende moeder met enen edelman uit den lande wilde trekken. Wat belangt de grootte [maat] (zeide zij): ‘hij is van mijnen doen, zodat gij die maat wel naar mijn lijf mocht nemen, ende dan zullen hem de klederen wel passen.’ De snijder haar bevel volgende, heeft op het spoedigste (want zij geliet haar [maakte duidelijk] dat zij haastelik moste vertrekken) de klederen gemaakt, ende t’huis gebrocht, ende zijn geld ontvangen hebbende, heeft haar bedankt ende is naar huis gegaan. Zo haast was hij niet vertrokken, of Wintergroen is op een secrete plaats gegaan, ende heeft dit acutrement [uitdossing] aangetrokken; hare vrouwe klederen heeft zij door een uitdragerse doen verkopen.

Wintergroen doet dus alsof ze zelfmoord pleegt, vlucht en verkleedt zich als man. Zo vermomd gaat ze Waterbrandt zoeken en ze vindt hem ergens in de Duitse gebieden. De twee hebben een geheime relatie, maar als Wintergroen zwanger raakt, moet ze haar travestie wel opgeven. Ze halen een luitenant over om Wintergroen als zijn dochter te erkennen en Waterbrandt als zijn gewenste schoonzoon. Intussen is in de Duitse gebieden – net als in de Nederlanden – een felle godsdienstoorlog tussen katholieken en protestanten aan de gang. De Nederlandse Republiek steunt de protestanten, die aanvankelijk succesvol lijken. Maar de zaak neemt een dramatische wending met de slag op de Witte Berg (Bíla Hora) bij Praag, op 8 november 1620. Waterbrandt vecht aan de protestantse kant, in het ‘koninkse’ leger:

(…) overmits [aangezien] dat des Koninks volk [leger] enen berg inhadde [bezette], waarop zij haar begonsten te begraven ende te versterken. De Keyserse [katholieken] dit niet achtende [trokken zich hier niets van aan], wel wetende hoe dat zij [de protestanten] met enige [maar een paar] Officieren stonden, zijn alzo met volle macht aandringende, tussen haar gelederen gelopen, spelende dapper met het kanon onder de Koninkse, waarop zij wederom dapper aangevallen zijn, ende hebben in het laatst zeer sterk op het Regiment [van de koning] aangezet, waar Sr. Waterbrant onder was, Joffrouw Wintergroen op de kar zittende, dochte te zien dat haren lieven vrijer ofte man al vechtende zich in het vaandel wond, ende op de plaatse dood bleef.

Wintergroen ziet hoe Waterbrand moedig en eervol de vlag van de koning verdedigt, totdat hij gedood wordt. Ze gaat er wanhopig vandoor. Maar Waterbrandt is niet dood: hij is gewond en speelt het klaar om in het katholieke kamp opgenomen te worden. Dat was niet zo moeilijk omdat soldaten geen uniform hadden, maar alleen met een sjerp of sjaal duidelijk maakten voor welke partij ze vochten. Soldaten waren meestal huurlingen die gewoon hun brood verdienden; het liet hun vaak onverschillig voor wie of wat ze vochten.

Een reeks avonturen volgt. Wintergroen werkt onder andere als marketentster in het leger en zorgt voor haar kind; Waterbrand zwerft van veldslag naar veldslag en zoekt haar. Hij neemt deel aan de belegering van Bergen op Zoom in 1622 en lijdt schipbreuk op de Noordzee. Uiteindelijk treffen Waterbrandt en Wintergroen elkaar op Walcheren. Ze trekken via Holland naar Oost-Friesland en horen daar met afgrijzen dat Wintergroens familie door soldaten – nota bene uit het protestantse kamp! – is uitgeplunderd. Blijdschap maakt plaats voor diepe wanhoop en Waterbrandt kan niet anders dan teruggaan naar Holland om een baan te vinden. Dan volgt het zoveelste avontuur. Waterbrandt trekt op goed geluk naar West-Indië en komt in december 1623 met een fortuin terug. Nu de gelieven voorgoed herenigd zijn, besluiten ze om dit voorjaar (Pasen 1624) samen naar dat aardse paradijs, West-Indië te gaan. Eind goed, al goed.

Zo is de lezer weer in het heden aangekomen en heeft het verhaal – hoe wonderlijk ook – intussen veel signalen gegeven dat het zich echt kan hebben afgespeeld. Er waren genoeg herkenbare elementen, bijvoorbeeld de zogenaamde verdrinking van het meisje en haar travestie om aan een ongelijk huwelijk te ontkomen, de oorlog tussen protestanten en katholieken en het dagelijks leven in het leger, de inmiddels al beruchte plundering door de troepen van de protestantste aanvoerder Mansveld in Oost-Friesland, het Nederlandse landschap en de steden (met bijvoorbeeld het Rapenburg in Leiden), de zeereis naar West-Indië en tot slot de reclame voor dat ‘Aardse Paradijs’.

In 1621 werd de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Deze organisatie kreeg het recht om handel te drijven met gebieden in Noord- en Zuid-Amerika en West-Afrika, samen ‘de West’ genoemd. Alles was erop gericht zoveel mogelijk waardevolle producten en geld weg te slepen om zo Spanje, dat vooral in Amerika veel handel dreef, verder te verzwakken. De WIC kreeg van de Staten-Generaal daarom toestemming voor de kaapvaart. Nederlandse schepen mochten jacht maken op Spaanse handelsschepen. Tussen 1622 en 1637 werden 547 Spaanse schepen buitgemaakt. De grootste klapper was de verovering van de Zilvervloot door admiraal Piet Hein in 1628.

Maar zover was het in 1623 nog niet. Het lukte niet goed om kapitaal voor de WIC los te krijgen van beleggers. Daarom werd er veel reclame gemaakt voor de nieuwe compagnie en het slot van Wonderlicke Avontuer wordt daarvoor dus ook gebruikt. Waterbrandt en Wintergroen worden kolonisten en dienen zo in de verte nog steeds hun vaderland.

Te midden van de andere literatuur van rond 1620 is Wonderlicke Avontuer een opmerkelijk verhaal. Het is bijzonder realistisch, besteedt veel aandacht aan de gevoelens van de hoofdpersonen en er wordt niet expliciet een les aan de gebeurtenissen verbonden. Impliciet is de boodschap er echter wel degelijk: wees trouw aan elkaar en aan je vaderland. Neem bijvoorbeeld de namen van de geliefden: water kan niet branden en in de winter is het land niet groen, maar Waterbrandt en Wintergroen bewijzen dat het onmogelijke waar kan worden. Hun wapen is hun trouw aan elkaar. En ook de trouw aan de protestantse zaak, de vrijheidsstrijd van de Nederlandse Republiek, is essentieel: die zorgt er uiteindelijk voor dat het geld binnenstroomt.

Verder lezen
De titelprent van Wonderlicke avontuer verbeeldt episodes uit het verhaal. De cirkelvormige band symboliseert een hoorn des overvloeds: aan het slot wacht Waterbrandt en Wintergroen het grote geld.
West-Indiëvaarder ‘Den Dubbelen Arent’. Gravure door R. Zeeman.