literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Spiegel van mijn leven - Haags dagboek
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Dankzij de ruime onderwijsmogelijkheden konden in de zeventiende eeuw meer mensen in de Nederlanden lezen en schrijven dan in de rest van Europa. Maar wat deden ze er in hun dagelijks leven mee? Het dagboek van David Beck, een Haagse schoolmeester, geeft een kijkje achter de schermen.

Spiegel van mijn leven - Haags dagboek
D. Beck, 1624

David Beck, geboren in Keulen in 1594, kwam in 1617 naar Den Haag, met familieleden en vrienden die net als hij overgegaan waren tot het gereformeerde geloof. Hij verdiende er de kost als onderwijzer op een school en trouwde in 1618 met Roeltje van Belle. Ze kregen drie kinderen. Bij de geboorte van de derde, in december 1623, overleed Roeltje.

De jonge weduwnaar was ontroostbaar: hij voelde zich verdrietig en eenzaam. Speciaal voor zijn kinderen hield hij in het hele jaar 1624 een dagboek bij, dat hij ‘een spiegel van mijn leven’ (de weergave, optekening van mijn leven) noemde. Beck maakte van dit dagboek later waarschijnlijk meerdere afschriften, één ervan bestaat nog. Het is geschreven in kleine, moeilijk leesbare priegelletters en wordt bewaard in het Haagse Gemeentearchief.

Beck vertelt ons veel over zijn wereld, de wereld van een hard werkende burger met een levendige culturele belangstelling. Elke dag begint hij met een terugblik op het weer, dan komen de belevenissen, zoals ontmoetingen en mededelingen over sterfgevallen en huwelijken, bezigheden op het werk en in de vrije tijd. Ook algemeen nieuws komt regelmatig aan de orde; waarschijnlijk heeft Beck dit bij het overschrijven nog aangevuld. In de eerste wintermaanden is Beck vooral binnenshuis, later wandelt hij veel in en rondom Den Haag. Eerst is hij erg verdrietig, maar na een paar maanden gaat hij weer muziek maken en probeert de eenzaamheid te verdrijven met viool, fluit en het zingen van psalmen. Hij leest veel – soms tot diep in de nacht – en schildert af en toe.

De bezoeken aan en van andere mensen worden precies genoteerd, inclusief de gespreksonderwerpen en maaltijden. Voor Beck zijn vlees of vis het belangrijkst, over de andere ingrediënten schrijft hij minder. Hij eet regelmatig spek, worst, zalm, kabeljauw, schelvis en ham en af en toe haring, konijnpastei, hutspot (destijds van allerlei restjes vlees), gebraden gans en snoek. Als groente, fruit en koolhydraatgerechten noemt hij: kool, peulen, stoofpeer, druiven, gebraden kastanjes, brood, boekweitkoeken en kruidkoek. Behalve rijstepap en kaas noemt hij geen zuivel. Hij dronk soms een glas wijn, maar meestal (licht) bier, zoals iedereen want gewoon water was te vervuild. Beck werd vaak ergens uitgenodigd, misschien om hem in de moeilijke tijd gezelschap te geven. Voor zijn kinderen werd intussen blijkbaar gezorgd, misschien door zijn schoonmoeder, die vaak in de tekst genoemd wordt.

Zijn werk op de Nederduitse school – wat wij de basisschool zouden noemen – kostte veel tijd. Beck gaf lezen en schrijven, rekenen, bijbelkennis, aardrijkskunde en vaderlandse geschiedenis. Het leerlingenaantal schommelde in 1624 tussen 40 en 60. Als de leerlingen een taak af hadden werden ze beloond. ‘Onze Adriaan zegde vanmorgen voor de eerste keer van zijn leven zijn abc-vers op zonder ook maar één letter te missen’, noteerde de trotse vader op 23 februari. Zo’n abc-vers was verplichte kost: strofe voor strofe werden de letters van het alfabet afgewerkt. De gedichten gingen over allerlei ambachten, dus er werd meteen nuttige kennis geleerd. Er waren voorbeeldboekjes met deze gedichten, maar Beck schreef ze ook zelf, soms wekenlang achter elkaar. Verder maakte hij gedichten over onderwerpen uit de Bijbel, die de leerlingen uit hun hoofd moesten leren. Training van het geheugen was belangrijk en rijm was daarvoor een geschikt middel – zo kregen leerlingen ook literaire vormen mee, zoals nu nog in onze versjes en liedjes voor jonge kinderen.

In de zomer van 1624 brak in de Republiek de pest uit, een zeer besmettelijke, vaak dodelijke ziekte. De zeventiende-eeuwers hadden er nog geen medicijn tegen. Geen wonder dus dat iedereen bang was, ook Beck. In juli noteert hij het eerste slachtoffer; op 22 juli is ‘de peste al in 5 of 6 huizen alhier geslopen, nemende hoe langs hoe meer d’ overhand.’ Behalve de angst heeft ook de hitte een negatieve invloed op Becks stemming. Op 25 juli schrijft hij dat hij met een groepje ging wandelen om koelte te vinden. Ze drinken een glas ‘goed bier (verdrijvende in dit bang en ziekelijk weer) alzo doende de melancholie een weinig’: het bier vrolijkt ze dus wat op. Maar niet voor lang. Beck tobt dag na dag, bidt vurig en vroom om Gods steun, en zwerft intussen maar wat rond. Dat hij op het Haagse Voorhout op 28 juli de dichters Jacob Cats en Constantijn Huygens ziet lopen, van wie hij het werk goed kende, verdrijft zelfs de neerslachtigheid niet.

Op 14 september is het raak. Beck heeft gedroomd dat hij eerst op een groot schip was dat hard voer, maar daarna ‘door een pesthuis moest gaan, ende dat geschiedde met zulken angst, dat mij docht, de plage [de pest] op mijn lijf te hebben’. Hij kon geen voet meer verzetten en bleef liggen in dat huis waar de pest heerste. Wakker geworden, voelt hij zich beroerd en bidt tot God om Diens genadige hulp, of hij nu blijft leven of sterft.

Beck overleeft. De gebeurtenis laat een belangrijk element uit zijn leven zien: zijn diepe godsvertrouwen. Het blijkt op veel plaatsen in het dagboek: Beck zingt vaak psalmen en bezoekt diensten in verschillende kerken. Hij was een trouw kerkganger, regelmatig noemt hij het thema van de preek die hij ‘vandaag’ gehoord heeft. Als er orgel gespeeld werd, mocht hij daar overigens graag naar luisteren. Zijn geloof geeft hem ook steun bij de verwerking van de dood van zijn vrouw, zoals blijkt uit de gedichten die hij voor haar schreef.

Aan zijn poëzie is herhaaldelijk te zien dat hij het werk van dichters uit zijn naaste omgeving goed kende: Cats stond in zijn boekenkast en hij las ook Huygens, Hooft, Heinsius en Anna Visscher, misschien ook haar zus Maria Tesselschade Visscher. Amsterdamse tijdgenoten als Bredero en Vondel las hij kennelijk niet. Misschien kende hij hun namen ook niet. Dat kan met van alles te maken hebben, zoals met de aard van het werk (misschien was Bredero te vrijgevochten, politiek zat Maurits-aanhanger Beck in elk geval op een andere lijn dan Vondel). Ook de geografische afstand en de relatieve onbekendheid van Bredero en Vondel buiten Amsterdam in 1624 kunnen een rol gespeeld hebben. Hoe dan ook, Bredero en Vondel komen in het dagboek niet voor en op dit punt tasten we dus in het duister. Beck las verder veel buitenlandse auteurs, in vertaling, zoals Petrarca’s poëzie en de zeer populaire prozaverhalen van Matteo Bandello, de Tragedische historien. Van zijn eigen gedichten zijn er enkele gedrukt, waarschijnlijk circuleerde een aantal ook in handschrift, dat was heel gebruikelijk. Jacob Revius heeft in zijn bundel Over-Ysselsche sangen en dichten op één gedicht van Beck een antwoord geschreven.

Verder lezen
Becks calligrafeerde een titelpagina bij zijn Journaal – onderaan de tekst: ‘Eenen Spiegel van mijn Leven’.
De onderwijzer Valcooch adviseerde in zijn handleiding Regel der Duytsche (=Nederlandse) Schoolmeesters (1591) om leerlingen een voor een berijmde lessen op te laten zeggen.
De handtekening van David Beck