literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia - een ambitieus project
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Er zijn auteurs die hun boeken in reeksen ontwerpen, zoals A.F.Th van der Heijden met de cyclus De tandeloze tijd en J.J. Voskuil met Het bureau. Johan van Heemskerck had ook zo’n groots plan: een boek dat een roman en een geschiedenis tegelijk zou zijn. Het moest gaan over de Hollandse gebieden en van zo’n hoog niveau zijn dat het internationale concurrentie aankon. Hij begon er optimistisch aan, maar de uitwerking had heel wat voeten in aarde. Uiteindelijk was het onwerp beter dan de voltooide versie.

Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia - een ambitieus project
J. van Heemskerck, 1637

Johan van Heemskerck (1597-1656) kwam uit de betere kringen. Er werd wel beweerd dat sporen van adellijk Heemskerckbloed tot in de dertiende eeuw terug te vinden waren. In elk geval hield hij van niveau. Na zijn rechtenstudie in Leiden werd hij onder meer juridisch adviseur van de VOC en later lid van de Hoge Raad. Hij vervulde zijn ambten trouw, vaderlandsliefde stond hoog in zijn vaandel.

Zoals veel jonge mannen had Van Heemskerck na zijn studie een ‘grand tour’ gemaakt, een culturele reis door West-Europa. In zijn geval duurde die vier jaar. Intussen werkte hij al, bijvoorbeeld in Engeland als juridisch adviseur. Ook in Frankrijk woonde hij een tijd, bij een beroemd familielid: Hugo de Groot. De invloed daarvan is later in Van Heemskercks werk te zien: hij droeg De Groots economisch-juridische denkbeelden over het handelsrecht op de vrije zee uit. Van Heemskerck was een groot liefhebber van de klassieke en moderne literatuur. Hij las veel en vertaalde ook buitenlandse poëzie naar het Nederlands, bijvoorbeeld van Ovidius en Catullus.

Twee buitenlandse romans waren Van Heemskercks absolute favorieten: Philip Sidney’s The Countess of Pembrookes Arcadia (1590-1593) en Honoré d’Urfé’s Astrée (1606-1627). Dat waren meerdelige ‘galante’ romans, over de veredelende kracht van de liefde. Ze hoorden tot het pastorale genre dat al in de oudheid bekend was. Het belangrijkste kenmerk van een pastorale is zuiverheid: het verhaal speelt in een moreel zuivere omgeving, niet in een stad of aan een hof maar in een landelijk gebied. Ook de hoofdpersonen hebben een edel karakter: het zijn herders die macht en geld niet belangrijk vinden. Sidney en d’Urfé hadden hun romans gesitueerd in idyllische gebieden, die niet echt bestonden maar wel kónden bestaan, in Frankrijk of Engeland. Hun hoofdpersonen waren herders, maar het was duidelijk dat zij eigenlijk de edelen waren die Frankrijk en Engeland regeerden.

Dat was nog niet alles want beide boeken waren complex gebouwd. Niet alleen voerden Sidney en d’Urfé een menigte personages op, daarnaast waren er ook allerlei gedeelten die niet tot de liefdesthematiek hoorden, maar bijvoorbeeld episodes uit de geschiedenis van Engeland en Frankrijk brachten. Verder waren ook andere literaire vormen ingevlochten, zoals liederen en gedichten. Al met al konden de boeken van Sidney en d’Urfé de concurrentie met de klassieke literatuur echt aan. Die ambitie inspireerde Van Heemskerck. Dit was nog eens iets anders dan de romanpulp die in de Nederlandse Republiek de markt overstroomde! Zoiets wilde hij ook maken: een perfecte roman over een perfect onderwerp. Zelf zei hij over het plan:

‘Zo mocht gij te zijner tijd nog wel eens zien een ontwerp van een Hollandse Astrea of een Batavische Arcadia, waarin uwe kinderen, de liefde tot de vaderlandse vrijheid, en lust der voorouderen vromigheid, onder ’t zoet van minnepraatjes, gelijk als in haar pap te eten, en in haar pijpkan te drinken zoude gegeven worden.’

Van Heemskerck verwoordde hier het principe van utile dulci dat in de renaissance een van de belangrijkste richtlijnen voor kunst was.

In 1627 ging Van Heemskerck aan de slag en al snel circuleerden handschriftelijke teksten onder zijn vrienden. Iedereen was enthousiast, maar voorlopig was het boek nog niet af: Van Heemskerck wilde immers net als in zijn voorbeelden uitgebreide documentatie over Nederland opnemen en die invlechten in een liefdesverhaal. Maar anderen wilden niet wachten en dreigden alvast gedeelten te drukken. Dat kon omdat copy right in de zeventiende eeuw niet bestond. Iedereen die een drukker betaalde kon hem alles laten drukken; auteurs waren geen eigenaar van hun tekst, ze verdienden er ook niets mee. Schrijven gebeurde doorgaans niet voor geld maar in je vrije tijd. Om de concurrentie voor te zijn publiceerde Van Heemskerck in 1637 wat hij al af had, een boekje van 233 pagina’s. Hij noemde het: Inleydinge tot het ontwerp van een Batavische Arcadia.

Inderdaad brengt het boek een combinatie van een liefdesverhaal met informatieve vertellingen over de geschiedenis van het gewest Holland, zijn de hoofdpersonen herders en zijn er ook liedjes en gedichten ingeweven. Een groepje verliefde Haagse vrienden en vriendinnen maakt een eendaags uitstapje. In de ochtend gaan ze over Den Deyl naar de buitenplaats Rijnvliet, ’s middags over Valkenburg naar Katwijk en in de avond over Wassenaar terug naar Den Haag. De hoofdpersonen hebben namen als Rosemond, Reynhert en Woutheer; wie hen kende, wist dat Reynhert Van Heemskerck zelf was. Hij is smoorverliefd op Rosemond, die voorlopig nog geen ja zegt. Reynhert komt daardoor in de positie van de petrarkistische minnaar: verliefd op een onbereikbare vrouw. Aan de emoties die daarbij horen besteedt Van Heemskerck in dialogen, liedjes en gedichten veel aandacht. Zo schrijft Reynhert een naamdicht voor zijn geliefde in het zand, maar de zee wast het weg. Dan maakt hij er nog een, dichter bij de duinen:

R olt zoute zeevloed, rolt vrij aan,
O ntgrondt de letters die hier staan.
S choon dat gij die hebt uitgewreven,
E n met u ’t zeewaarts ingedreven,
M ijn hert is ’t blaadje van de min,
O m daar wel diep te schrijven in,
N iet met een pen, maar met zijn schichten.
D at, ’t welk ik niet vertrouw mijn dichten.

De natuurbeschrijvingen zijn opvallend en tamelijk uitzonderlijk voor de Nederlandse literatuur van de zeventiende eeuw. Van Heemskerck zet een goed herkenbaar Hollands landschap neer, met bijvoorbeeld vruchtbare kleigebieden, dorre duinen en een effen strand.

Het boekje was een succes: herdrukken volgden. Intussen werkte Van Heemskerck verder en voegde lange gedeelten met informatie en (Latijnse!) voetnoten in, bijvoorbeeld over de Bataafse voorouders van de zeventiende-eeuwers, de kwestie van de vrije zee en het ongewenste gebruik van de pijnbank in het Nederlandse rechtssysteem. Het verhaal leed onder die toevoegingen want de verhoudingen raakten zoek. De stof werd te omvangrijk voor een reisje van één dag.

Blijkbaar kreeg Van Heemskerck er op zeker moment genoeg van. In 1647 verscheen de ‘volledige’ versie van de Batavische Arcadia, met 916 bladzijden. Het boek was voltooid door C.V.B., die zich voordoet als Van Heemskercks vriend. Misschien was dit Coenraad van Beuningen of Caspar van Baerle of een onbekend gebleven persoon. Het resultaat van het grootse project was uiteindelijk meer een wetenschappelijk werk dan een liefdesverhaal met culturele inslag, maar blijkbaar werd het graag gelezen. Nog tot 1871 verschenen nieuwe drukken, vaak bewerkingen, van deze merkwaardige roman.

Verder lezen
Titelpagina van Van Heemskercks Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia (1637)