literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: De doorluchtige daden van Jan Stront - vieze boekjes
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Ook in de zeventiende eeuw waren ze te koop: vieze boekjes, zonder foto’s natuurlijk, maar wel met pornografische verhalen. ‘Gedrukt voor de liefhebbers’ stond vaak op het titelblad en dat gaf aan dat het om seks ging. Net als nu waren de kopers vooral mannen, maar deze literatuur was geen wegwerpartikel en haar functie was niet om zo snel mogelijk lust op te wekken. Seks was in de zeventiende-eeuwse pornoliteratuur nog geen machinale zaak, maar een eerbewijs aan het lichaam. Dat was een voor die tijd nieuwe gedachte, die rond 1670 in de Nederlandse Republiek doordrong.

De doorluchtige daden van Jan Stront - vieze boekjes
P. Elzevier, 1696

De traditie van de pornografische literatuur is in de renaissance definitief begonnen met Sei giornate (Zes dagen) van de Italiaan Pietro Aretino, uit 1534. Een moeder zoekt een zinvol bestaan voor haar dochter: moet ze naar het klooster, trouwen of hoer worden? Het wordt het laatste want als liefde het belangrijkste is in het leven, kun je je er maar het best voor laten betalen. Maar dan moet je wel weten hoe je dat aanpakt en de dochter krijgt alle kneepjes van het vak uitgelegd. De lezer leert mee. Aretino werd geëerd én uitgescholden om het boek, dat in 1556 door de katholieke kerk op de Index van verboden boeken werd geplaatst. Maar het succes was toen al niet meer te stoppen. De formule van de gefingeerde gesprekken waarin de lezer ingelicht wordt over alle geheimen van lichamelijke liefde, in grappige beeldspraak en met tal van interessante anekdotes, werd overal geïmiteerd.

In de Nederlandse Republiek was in 1684 het boek De doorluchtige daden van Jan Stront, opgedragen aan het kakhuis te koop – dat de code ‘gedrukt voor de liefhebbers’ op de titelpagina had. Dit bijzonder humoristische en pikante boek was een bewerking van een Franse roman en vertelde het leven van een in 1630 in Rotterdam geboren schuinsmarcheerder. Zijn moeder deed alle moeite om zwanger te worden maar dat lukte pas toen een koopman eerst haar schoot volscheet en haar daarna bevruchtte door deze mestlaag heen. Jan doet zijn naam eer aan want hij associeert letterlijk alles met stront.

Hij wordt student, maar hoeft eigenlijk niets te leren want van nature weet hij alles van het leven al, vooral op anaal en erotisch gebied. Bij een gesprek met vrienden in de kroeg neemt het boek een wending: in een genadeloze opeenvolging van schunnige verhaaltjes, satire, roddel en bijtende uitspraken beschuldigen ze de wereld van bedrog. Niets is immers wat het lijkt en iedereen is hypocriet. De ware aard van de maatschappij is nu pijnlijk blootgelegd en daarmee eindigt het eerste deel van Jans leven.

In 1696 verschijnt het anonieme tweede deel, bedacht door een Nederlander, waarschijnlijk de Utrechtse uitgever Pieter Elzevier. Nu gaat het niet zozeer meer om maatschappijkritiek maar om genieten van het leven. De lezer stond in zijn blootje aan het eind van deel 1 en dan is de stap naar erotiek niet groot meer. Jan is een oude man geworden, die het liefst gezelschap zoekt van oude vriendinnen, hoeren. Met hen blikt hij terug op zijn erotische belevenissen en ze vertellen elkaar én de jongedame in opleiding, Jacoba, allerlei trucs, bijvoorbeeld om maagdom voor te wenden, over voor- en nadelen van diverse standjes, over geslachtsziekten en over de invloed van drank op seksuele prestaties.

Dat gebeurt allemaal niet in directe taal, maar in beeldspraak die de gebeurtenissen humoristisch maakt. De lezer kan een hele lijst opstellen van woorden en uitdrukkingen rond seks. Het mannelijk geslachtsdeel heet bijvoorbeeld Jan Donderdag, de moedige kadet, het wakkere kwantje, de steel, de deuvik en de vredemaker; het vrouwelijke heet onder andere kous, lustprieel, klavier, middelmootje, bomgat, aantrekkelijke academie en het land van belofte. De geslachtsdaad levert ook al een onuitputtelijke voorraad uitdrukkingen op, van studeren in de academie, haar akkertje beploegen, snoepen en stommelen tot de piek op de poort vellen en de schoorsteen vegen. Gaat het mis dan is dat de pap buiten de krib storten of met een hangend hoofd voor de poort moeten retireren. Ook in de zeventiende eeuw was het woord druiper al in omloop voor geslachtsziekte, een vaak gebruikte term daarvoor was ook de pokken hebben. Overigens werd er ook geaborteerd, hoewel dat strafbaar was. Condooms en de pil bestonden nog niet; een veelgebruikt voorbehoedsmiddel was de vrouwenspuit: een houten apparaat in de vorm van een penis met ballen. Die werden met zeepsop gevuld, waarna dat met een zuigerstang in de vagina gespoten werd. Deze morning-aftermethode was niet helemaal betrouwbaar. De vrouwenspuit werd tot in de negentiende eeuw gebruikt.

De tekst licht ons ook in over zelfbevrediging. Tullia, een van de hoeren vertelt hoe ze als veertienjarige in het bed van een vriendin ‘zeker instrument’ vond, dat ze meesmokkelde:

Thuis gekomen zijnde, bezag ik dit postuurtje en bevond dat het goed was om mijzelf bij gebrek van een beter wat te troetelen. Het was van glas en van buiten met welriekende olie ingesmeerd. Het had de lengte van omtrent acht duimen breed en de dikte van een tamelijke mans duim. Van binnen was het hol en van achteren met een schroef toegaande, welke schroef ik niet zo haast had los gedraaid of daar stortte warm water uit, hetwelk was omdat het warme puisje [vrouwelijk geslachtsdeel] voor de kou van het glas niet zou verschrikken. Diezelfde avond goot ik er nog vers warm water in ende [dede] mijzelf te bed gegaan zijnde nog wat goeds met dit postuurtje.

Maar de dildo, want dat was het, wordt toch afgekeurd omdat Tullia er alleen haar lusten mee kan opwekken, zonder ‘verzadigd’ te raken. Hier blijkt dat de tekst vanuit de mannelijke beleving en verlangens is geschreven. Dat bevrediging voor vrouwen niet altijd afhangt van penetratie, wist auteur Elzevier niet. Het zou nog tot de feministische protesten in de jaren zeventig van de twintigste eeuw duren voordat dat algemeen bekend werd.

Het tweede deel van Jan Stronts pseudobiografie was dan wel een oorspronkelijk product, dus niet vertaald of bewerkt naar een voorbeeld, maar het knoopte toch nauw aan bij de Europese pornografische traditie. De naam Tullia was voor elke kenner duidelijk: dat was de hoofdpersoon uit een beroemd pornografisch boek: L’Academie des dames. Jan leest ook een bekende roman uit dat genre: La puttana errante, in het Nederlands verkrijgbaar als De dwalende hoer. Dat boek was zelfs in de Nederlandse Republiek – waar de censuur veel minder was dan in de landen om ons heen – verboden.

In dit tweede deel wordt een tegenhanger tegen het ontluisterende portret van de hypocriete maatschappij uit het eerste deel neergezet. In het tweede deel wonen de mensen in een seksueel Utopia. De boodschap is dat je gerust je lichaam als maatstaf voor je leven kunt nemen want het lichaam is wijs genoeg, dat heeft geen ingewikkelde redeneringen nodig. Bovendien is het eerlijk. Jan Stront en zijn gesprekspartners houden een pleidooi voor aandacht voor het lichaam en het gevoel. Dat soort radicale ideeën kwam met name in de Noord-Nederlandse Republiek rond 1670 sterk op, vooral onder invloed van de filosofische geschriften van Baruch Spinoza.

Verder lezen
Deze zeventiende-eeuwse vrouwenspuit werd in 2001 in Zwolle gevonden.