literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: Louwtje van Zevenhuizen - het mes als handelsmerk
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    

Boeren zijn in de literatuur vaak stereotypen voor heel domme of juist slimme en sluwe mensen. Als ze ook nog voortdurend hun mes trekken, moet je ze helemaal niet vertrouwen. Maar Gerrit van Spaan wilde met de vrijgevochten boer Louw van Zevenhuizen een andere boodschap geven. Louw werpt een genadeloze blik op de hogere sociale milieus en ontmaskert met zijn eerlijkheid hun schijnheiligheid.

Louwtje van Zevenhuizen - het mes als handelsmerk
G. van Spaan, 1700-1702

Aan het begin van de zeventiende eeuw waren lyriek en drama de meest gebruikte en gewaardeerde literaire vormen, aan het eind van de eeuw verschenen ook veel romans, hoewel lang niet iedereen dat waardeerde. De hele zeventiende eeuw door waren er fictionele prozateksten te koop geweest, zoals pseudobiografieën, bewerkingen van klassiekers uit de oudheid en de middeleeuwen en min of meer fictieve reisverhalen. Die teksten werden vaak als roman betiteld. Dat genre bood veel vrijheid omdat er geen regels voor bestonden. Veel romans waren stilzwijgend vertaald, vooral uit het Frans, Italiaans of Spaans. De auteurs/vertalers hieden zich meestal anoniem, niet voor niets want zij vormden een nieuwe groep: broodschrijvers die met hun literatuur geld wilden verdienen (ook voor vertalingen want copy right bestond nog niet). Traditioneel was schrijven altijd een eervolle hobby geweest waarvoor je aanleg en kennis moest hebben. De ‘oude’ schrijvers bekritiseerden de ‘nieuwe’ dan ook fel omdat ze hun opvoedende taak verwaarloosden. Kijk maar naar hun romans, die laten de ondeugdzame kanten van het leven zien en hebben er nog plezier in ook!

Voor het doorsneepubliek lag het anders: dat las graag romans want die waren meestal niet zo moeilijk. Het is hetzelfde als bij ons: ook ‘gewone’ mensen lezen en willen zelf kiezen wat. Vanaf 1670 neemt het aanbod van romantitels flink toe – kennelijk kon de markt dat dus aan. In de voorwoorden blijkt dat de auteurs het volste vertrouwen hebben dat de lezers hun eigen conclusies kunnen trekken uit de teksten. Gerrit van Spaan, de auteur van de tweedelige roman Het koddig en vermakelijk leven van Louwtje van Zevenhuizen of het Schermschool der huislieden [de vechtpartijen van de boeren], daagt zijn lezers uit met: jullie papzakken die ’s winters bij het vuur hangen, lees dit eens!

De Rotterdammer Van Spaan (1651-1711) wist wat hij deed. Begonnen als zeeman werd hij bij zijn huwelijk broodbakker. Hij had geen intellectuele scholing en liet zich daarom coachen door een belezen vriend, de schoolmeester Petrus Rabus. Desondanks werd hij soms tegengewerkt als hij op zoek was naar informatie voor zijn boeken. Dat deuren gesloten bleven omdat hij niet genoeg sociaal niveau zou hebben, zat Van Spaan behoorlijk dwars. Zelf koos hij bewust een andere doelgroep: de ‘platters’, gewone burgers. Hij schreef onder andere propagandistische reisgidsen over Afrika en Azië, een komische geschiedenis van Rotterdam en omstreken, en een vrolijk pseudonieuwsblad. Ook met zijn roman Louwtje van Zevenhuizen zoekt hij een directe confrontatie met het leven, humoristisch maar tegelijk met een diepere bodem.

Louw is een boerenzoon die zich ‘ridder’ mag noemen omdat zijn voorvader voor een middeleeuwse graaf vocht. Zijn vader is rijk en Louw geniet van het leven: hij trekt door de Hollandse polders rond Rotterdam van kroeg naar kroeg en hangt daar zijn mes altijd aan een haakje of haalt er een ander mes van af. Dat was een bekende code om uit te dagen tot een gevecht. Het ging dan niet om leven of dood, maar om de winst en de eervolle littekens. Louw is een kampioen. Soms loopt het uit de hand, zoals bij de strijd om een meisje:

[…] de vrijer [Louws tegenstander] geen ander uitkomst ziende, stelde zich schrap, en veegde Louw mede lustig naar ’t lijf [ probeerde hem te snijden]; doch Louw wist het bij ’t maanlicht zo te klaren, dat hij hem over ’t voorhoofd, neus, en kin zo een snede bracht, dat ’er het bloed pisselings uitliep. Den anderen, als dol en uitzinnig zijnde, meende Louw het mes in zijn pens te douwen, doch de steek ging tussen Louw zijn arm door, zijn mouw een weinig geraakt zijnde: Louw zich dus in gevaar ziende, paste [lette] (zoals hij hem weder een steek meende te brengen) op zijn hand, en sneed hem enige trekkers [pezen] en aderen af, zodat zijn [tegen]partij gedwongen was het mes te laten vallen, en luide om hulp te schreeuwen.

Na dit soort incidenten houdt Louw zich een tijdje gedeisd, betaalt eventueel een boete en dan begint alles weer opnieuw. Als hij trouwt lijkt het vechtersbestaan over, maar de seks put Louw zo uit dat zijn vrouw hem op pad stuurt om krachten op te doen! Met instemming van zijn familie zet Louw zijn leventje voort, nu ook buiten Nederland. Elke kampioen ontmoet echter een keer een sterkere tegenstander, zo ook Louw. Als hij weer thuis is, raakt hij dodelijk gewond en sterft. Dat het gebras na de begrafenis uitloopt op een vechtpartij verbaast niemand.

Er valt genoeg te lachen in deze afwisselende roman, of om het met Van Spaans woorden te zeggen: de gebeurtenissen zullen ‘de lever doen verschudden’. Boeren zijn in de literatuur traditioneel vaak domme, sullige types, maar Louw is dat helemaal niet. Hij is de andere variant van de boer: de slimme. Je zou kunnen denken dat hij in al zijn egoïsme het voorbeeld van een sluwe bedrieger moet zijn, maar dat is niet het geval want er zit een diepere laag onder het verhaal. Van Spaan kondigt het aan: de ‘vodderijen’ van Louw zijn bedoeld als ‘spiegel’, om slecht gedrag te voorkomen. Als de lezer door de gebeurtenissen heenkijkt, wordt duidelijk waar Van Spaan op uit is.

Louw is een zelfstandige man, niet afhankelijk van anderen. Wetten erkent hij (net als zijn familie) alleen als het echt nodig is, bijvoorbeeld in geval van moord, oneerlijke diefstal en brute, onnodige mishandeling van een medemens. In het dagelijks leven telt voor Louw maar één ding: eerlijkheid. Zo gauw hij maar bedrog of grootspraak ziet, komt het mes of de vuist eraan te pas. Louw lijkt dan wel bot en lomp, maar hij is het niet. Hij leest bijvoorbeeld veel boeken, leert op zijn reizen onder andere het stuurmansvak en weet in discussies met rake, soms heel droge, argumenten het woord te voeren. Louw zegt altijd wat voor hem de waarheid is, tegen wie maakt niet uit.

Uit de titelprent kun je afleiden dat het tonen van ‘de naakte waarheid’ de kern van het boek is. Wat is er te zien? Keurige burgers bediscussiëren de gebeurtenissen op een podium en wenden zich een beetje af van de schalkse duivel die een steels glimlachende dame roskamt. De duivel houdt haar masker omhoog: hij toont dus hoe ze echt is. In de vrolijke wanorde zijn ook een kroeg, een omgevallen kan, twee bedrogen echtgenoten (hoorndragers) en een liefdespaartje te zien. Louw zit linksvoor en wisselt een blik van verstandhouding met de duivel. Naast de kan staat een boek: ‘gebruik die wijsheid!’, roept Louw eigenlijk. De prent houdt het publiek een spiegel voor: dit lieve leventje is eerlijker dan de hypocriete omgangsvormen onder de burgers. De waarschuwing die eronder zit is: als de maatschappij niet oppast gaat ze aan oneerlijkheid ten onder. Uiteindelijk gaat het maatschappelijk belang dus ook boven het individuele van Louw en zijn familie. Van Spaan ontkent Louws ondeugden niet, maar toont dat botheid nog geen domheid betekent. Louws gedrag komt voort uit eenvoud en slimheid en is beschaafder dan dat van de deftige medeburgers. Zo gaf een auteur uit een eenvoudig milieu een niet mis te verstaan commentaar op de sociale lagen boven hem, inclusief de ‘deftige’ schrijvers.

Verder lezen
Gerrit van Spaan
Confrontatie van het leespubliek met de wereld van Louw (links op het podium). Titelplaat bij Van Spaans boek.