literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw

De Verenigde Oost-Indische Compagnie was in de zeventiende en achttiende eeuw het grootste handels- en scheepvaartbedrijf ter wereld, een multinational. De VOC had duizenden werknemers in dienst, een vloot van meer dan honderd schepen, bijna dertig kantoren in Azië en zes vestigingen in de Republiek, elk met kantoren, pakhuizen en werven.

Vreemde vogels in de oost - over reisavonturen

De Verenigde Oost-Indische Compagnie werd in 1602 opgericht door Hollandse kooplieden die hun schepen bijeenbrachten om handelsreizen te maken. Samen sterk, was het motto. De Staten-Generaal gaf de VOC het alleenrecht op handel met Azië en zorgde voor gewapende bescherming door de marine. De onderneming werd een succes. Producten uit ‘de oost’ - zoals peper, specerijen, tabak, koffie, thee, textiel en porselein - leverden veel geld op.

Er gingen steeds meer schepen naar de oost, waar Batavia (het huidige Jakarta in Indonesië) de hoofdvestiging was. Voor al die schepen was bemanning nodig, maar de reis was gevaarlijk en het leven aan boord zwaar. Aanmonstering als matroos was vaak een wanhoopsdaad, om een uitzichtloos bestaan te ontvluchten. Avontuur kregen de zeelui volop, maar een succesvolle nieuwe start zat er meestal niet in. Ziektes, noodweer, confrontaties met zeerovers en ‘inlanders’ maakten veel slachtoffers en de verdiende gage ging er meestal snel doorheen.

Landschap, klimaat, flora en fauna in de oost waren totaal anders dan de westerlingen gewend waren. Veel opzien baarde de logge dodo, die voor het eerst werd afgebeeld door Hollanders. Hij was een gemakkelijk slachtoffer, maar zelfs na twee dagen koken was zijn vlees nog taai, vandaar de bijnaam ‘walgvogel’. Het enige wat smaakte was de maag, een flinke maaltijd voor twee man. Aan het eind van de zeventiende eeuw stierven de dodo’s uit. Waren ze allemaal opgegeten? Wetenschappers vermoeden dat het anders is gegaan: de varkens die door de Nederlanders waren geïmporteerd, beroofden hen van hun voedsel. Hongersnood werd de vogels dus fataal.

Van dit alles getuigen vele reisverslagen, gedichten en liedjes. Het zijn vaak sterke verhalen over spannende avonturen en prachtige vreemde landschappen en wezens. De narigheden van het leven aan boord en in de tropische wereld worden echter nogal eens verzwegen. Met name de liedjes waren vaak ook bedoeld als reclame: ze moesten de thuisblijvers ervan overtuigen zich ook in te schepen.

Wouter Schouten (1638-1704) vertrok in 1658 als onderchirurgijn naar de oost. Over zijn ervaringen schreef hij behalve een dik reisverslag, de Oost-Indische Voyagie (1676), ook gedichten. Op een van zijn reizen observeerde hij de mohammedaanse godsdienst op Java, die voor de Nederlanders als heidens gold. Daarna voerde de tocht langs de Molukse eilanden, met hun indrukwekkende natuur. Tot slot stelde Schouten de gewetenskwestie voor de christen: de aardse rijkdom mag hem niet afleiden van zijn koers naar de hemel.

Dus oostwaarts heen langs Java’s kust gevaren
tot op de ree vant heidense Japare,
aldaar de stad nauwkeuriglijk beoogd
en hoe den moor staag ijvert, hijgt, en poogt

om d’alcoran te prenten inde zielen
der gener die int listig net vervielen
van Mahomets bedrieglijke leer,
dewelk hem nog verspreidt, hoe langs hoe meer

door Azia, de schoonste koninkrijken
die voor geen deel des werelds ooit en wijken,
al ’t oosten zelfs ja tot aan Moluks strand
daar grijpt zijn wet, daar vindt zijn lering stand.

Daar hebben wij gezien Moluks schoon eilanden
en bergen wonder hoog,
ook hoe Tarnates berg, en die van Makjan brandden
en vuur en vlam uitspoog.

Daar zien wij dat den mens met weinig is tevreden
en vrolijk leven kan.
Ei, waarom dan gewoeld in zoveel bezigheden.
Wat, scheidt er eenmaal van.

Tis lang genoeg gesloofd, gewoeld, gerend, gelopen
O christenmens, bedaart,
den hemel is om geld noch goed, noch schat te kopen
wat helpt dan veel vergaard,

ons ware vaderland is hemels, en daarboven
ei, daarheen koers gesteld.
Verder lezen
Tekening van een matroos uit een scheepsjournaal. Hij was op het schip De Gelderland in 1602 op weg naar de Molukken.
De dodo, een loopvogel, leefde in Oost-Indië en stierf rond 1700 uit. Schilderij van Jan Savery (1651).
Het monogram van de VOC werd op alle officiële stukken gestempeld. Hier is het uitgevoerd met de kleuren van de Nederlandse vlag op de achtergrond.