literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw

Rond 1640 konden in de Nederlanden veel meer mannen en vrouwen lezen en hun naam schrijven dan in andere West-Europese gebieden. Geen wonder: in de steden in noord en zuid was het onderwijs goed geregeld. Net als nu waren er verschillende schooltypen. De keus werd grotendeels bepaald door het geld dat ouders konden besteden. Maar je hoefde niet per se rijk te zijn om het ver te kunnen schoppen, in de literatuur tenminste.

De honger naar kennis – over onderwijs

Dat men onderwijs zo belangrijk vond, kwam onder andere door de godsdienstige hervormingsbewegingen. Zowel de (protestantse) reformatie als de (rooms-katholieke) contrareformatie legden veel nadruk op het lezen van de Bijbel. Andere stimulerende factoren waren de handel, het hoge aantal steden en de oorlogssituatie. Handel en overheid vroegen mensen die konden lezen, schrijven en rekenen en kennis hadden van geschiedenis, aardrijkskunde en actuele zaken. Daarnaast had de Noord-Nederlandse Republiek een groot aandeel in spectaculaire wetenschappelijke ontwikkelingen. Hier werden bijvoorbeeld het slingeruurwerk en een methode om lenzen voor brillen en kijkers te slijpen uitgevonden. Wereldberoemde geleerden als Descartes, Spinoza, Christiaan Huygens (de zoon van de dichter) en Vossius werkten in de Republiek. De enorme honger naar kennis is ook te zien in het onderwijs.

De leeftijd tussen vier en veertien jaar werd beschouwd als de geschiktste leerperiode voor een kind. In theorie tenminste, want in de praktijk kwamen er andere factoren bij kijken: geld en woonplaats. Woonde je niet in de stad dan was onderwijs geen optie, tenzij je vader een privé-leraar inhuurde. Woonde je in de stad maar was er geen geld, dan kreeg je geen onderwijs en mocht je blij zijn als je een ambacht kon leren of klusjes kon doen. Anders werden de zeevaart en het leger de enige uitweg. Was er wel geld, dan leerde je zoveel als je ouders konden betalen: eerst lezen, dan pas schrijven en rekenen - daarvoor moest je een lei, griffel en later de duurdere pen, inkt en het papier kopen.

In zuid en noord waren er scholen die door de overheid gesteund werden, zoals de katholieke jezuïetencolleges en de protestantse Latijnse scholen. Daarnaast was er een circuit van katholieke en protestantse schoolmeesters en onderwijzeressen met eigen schooltjes en van leerkrachten die onderwijs bij mensen thuis gaven.

Veel lesmethoden werkten met het vraag- en antwoordsysteem, en oefenden zo het geheugen. De lesstof werd bepaald door het schooltype. Vergelijkbaar met onze basisschool waren de (Neder)duitse en de Franse school. Op de eerste leerde je in het Nederlands lezen en schrijven, rekenen, bijbelkennis aardrijkskunde en vaderlandse geschiedenis. Op de Franse school kwam datzelfde aan de orde maar dan in het Frans – waardoor je aan het internationale handelverkeer kon meedoen. Voor middenstandskinderen was dit het eindstation, bijvoorbeeld voor de schrijvers Coornhert, Bredero, Vos en Vondel. Kinderen uit hogere stand, zoals burgemeesterszoon Hooft, gingen door naar het voortgezet onderwijs op de Latijnse school of kregen privé-onderwijs, zoals Huygens. Een aantal schrijvers leerde later voor zichzelf door, zoals Coornhert en Vondel.

Het humanisme vormde de basis van het zeventiende-eeuwse onderwijs. Het doel was de leerlingen verantwoordelijkheidsgevoel en beschaafd gedrag aanleren. Elke mens moest verstandige beslissingen kunnen nemen, op basis van zelfkennis en kennis van de wereld. Goede manieren stonden daarbij voorop. De Amsterdamse schoolmeester Dirck Valcooch gaf er in 1591 in Regel der duytsche schoolmeesters (duytsch: Nederlands) een overzicht op rijm van. Een kleine selectie uit zijn lijst:

Die zijn muts niet afneemt voor een man van ere,
die daar lopen krijten, vloeken en zweren,
die wild en onzedig lopen langs de straten,
die spelen om geld, boeken of leugenen praten,
die buiten meesters of ouders raad thuis blieven,
die geld, boeken, pennen, papier nemen als dieven,
die op de wallen loopt als men gaat naar huis,
die malkander bewerpen met snot, vlooien, luis,
die niet zedig loopt naar de kerk of daarvan,
die malkander smijten stukken, korf of kan,
wat scholiers deze voorzeide punten niet onderhouden,
zullen twee plakken krijgen of zich met de roede klauwen.

Valcoochs Regel was al gauw in veel schoolreglementen terug te vinden. Een ander veel gebruikt boek was De Cijfferinghe, de rekenmethode die schoolmeester Willem Bartjens in 1604 publiceerde. Zijn uitleg en oefeningen bij de rekenregels waren helder en betrouwbaar en leven voort in de uitdrukking ‘het klopt volgens Bartjens’. Zijn leessommen sloten aan bij situaties uit de praktijk, zoals:

560 soldaten leggende in bezettinge in een schanse [verdedigingswal in open veld], en hebben spijze voor 7 maanden: besluiten tezamen, mitsdien ze haar belegerd vinden [omdat ze belegerd worden], de schanse niet over te geven binnen 10 maanden tijds. Vrage: hoeveel mannen zij lieden laten gaan zullen, om met die voornoemde spijze, den gezetten tijd te volherden [de afgesproken periode vol te maken]. Facit 168 [oplossing: 168].

Bartjens had ook literaire contacten. Hij schreef een lofdicht voor Het Schilder-Boeck van de dichter-schilder Karel van Mander. Verder ontmoette hij Vondel in de ‘Brabantse’ rederijkerskamer in Amsterdam, Het Wit Lavendel. Die schreef een lofdicht op zijn Cijfferinghe; op zijn beurt maakte Bartjens er een bij Vondels eerste toneelstuk Het Pascha (1610). Daarmee zijn we aan de hamvraag: bestond er ook literatuuronderwijs? Het antwoord is ja, maar het werd alleen gegeven op de Latijnse school en door privé-leraren aan huis. Slechts de kleine groep leerlingen van rijke ouders kwam er dus mee in aanraking en verder diegenen die later zelf hun kennis bijspijkerden.

Op de Latijnse school (alleen voor jongens) was taal, vooral Latijn, een belangrijk onderdeel. Dat had twee redenen. De ene was dat dit schooltype je voorbereidde op de universiteit, waar alles in het Latijn ging. Goede beheersing van deze internationale geleerdentaal was dus noodzakelijk. De andere reden was dat het onderwijssysteem uit de klassieke oudheid door de Latijnse school was overgenomen en daarmee de tweedeling in trivium (drieweg) en quadrivium (vierweg): eerst werden de drie taalonderdelen grammatica (de taalregels, van het Latijn), dialectia (logisch redeneren) en retorica (overtuigend spreken en schrijven) onderwezen, daarna de vier exacte onderdelen musica (theoretische muziekleer), arithmetica (getalsrekenen), geometria (meetkunde) en astronomia (sterrenkunde).

In het trivium werd met de bouwstenen grammatica en dialectica toegewerkt naar de retorica: het opzetten van een overtuigend betoog dat paste bij een bepaalde gelegenheid. Beroemde teksten uit de oudheid waren het lesmateriaal, zoals de retorische handboeken van Cicero en Quintilianus en de filosofische verhandelingen en drama’s van Seneca. Ook de Latijnse teksten van humanisten als Erasmus werden veel gebruikt. Elke leerling hield een aantekenboekje bij met treffende citaten die bruikbaar waren in opstellen. Want dat was de hoofdmoot: opstellen schrijven voor elke denkbare gelegenheid en over allerlei onderwerpen.

Daarbij moesten de regels van de retorica gevolgd worden. Een goed betoog had een heldere opbouw, met inleiding, middendeel en conclusie. Vervolgens kwam het op inhoud en sfeer aan. De inleiding diende om het publiek te lokken en de stelling neer te zetten. Het middendeel moest de argumenten voor en tegen brengen. In de conclusie moest de stelling overtuigend bewezen worden.

In de retorica draaide alles om de overtuigingskracht. Om het publiek mee te krijgen waren de volgorde van de argumenten, de keuze van de rode draad en de voorbeelden, de stijl en sfeer van de tekst van groot belang. Hoe beter je woordkeus, hoe groter het effect. De voorbeelden uit de aantekenboekjes kwamen hier goed van pas.

Na de Latijnse school of na privé-onderwijs kon je in verschillende Nederlandse steden naar een universiteit of hogeschool (die om ambtelijke redenen een andere naam had, maar erg op een universiteit leek): in Leuven, Leiden, Amsterdam of Franeker bijvoorbeeld. Er waren drie hoofdrichtingen: theologie, geneeskunde en rechten. Op de theologische faculteit werd ook filosofie gegeven; de medische faculteit beheerde ook de exacte vakken. Colleges over literatuur kon je volgen aan de rechtenfaculteit.

Verder lezen
Een moeder zit met haar zoon gebogen over een schetsboek; op tafel ligt o.a. een passer. Tekening van Jacques de Gheyn II (ca. 1600)
Waarschijnlijk was Hugo de Groot een van de leerlingen van deze Latijnse school in Delft.
In de huidige Nieuwe Kerk bij de Amsterdamse Dam was in de zeventiende eeuw de stadsbibliotheek gevestigd.