literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw

Van schrijven kon je in de zeventiende eeuw niet leven. Je deed het in je vrije tijd, niet om je brood te verdienen. Juist dat maakte schrijven zo eervol: iets betekenen voor de samenleving zonder er iets voor terug te vragen. Als dat niet edelmoedig was! Maar het is niet de hele waarheid. Veel schrijvers hadden toch ook een beetje eigenbelang bij hun activiteiten want een beloning was niet helemaal uitgesloten. Als je maar een mecenas, een geldschieter, had.

Mecenaat – over geldschieters

Het begrip mecenaat is genoemd naar de Romeinse staatsman Gaius Clinius Maecenas (tussen 74 en 64 v. Chr.-8 v. Chr.). Hij gaf dichters financiële steun. Mecenaatsrelaties waren in de oudheid, de middeleeuwen en de renaissance heel gewoon. Schrijvers en andere kunstenaars werden vaak financieel ondersteund door vorsten en andere adellijke lieden en gaandeweg ook door rijke burgers. Vooral aan een vorstenhof was het mogelijk om een vaste baan als ‘hofdichter’ te krijgen. Hofdichters hadden meestal meerdere taken in de hofhouding van de vorst, maar het was vooral de bedoeling dat zij literatuur schreven om de mensen aan het hof te vermaken en om de reputatie van de vorst te beschermen of te verbeteren. Er moest goodwill gekweekt worden bij de onderdanen.

In de Nederlandse Republiek bestond nauwelijks een georganiseerde hofhouding en dus waren er geen hofdichters. De mecenaatsrelaties ontstonden hier tussen de bestuurders (zoals stadhouders en burgemeesters) en kunstenaars. Bestuurders konden een beetje reclame meestal wel gebruiken: hun beleid stond of viel met hun reputatie. Bij belangrijke politieke gebeurtenissen huurden zij daarom dichters in om de lof te zingen op hun beleid en hun persoon. Zo gaf het Amsterdamse stadsbestuur in 1648, toen de Republiek eindelijk vrede sloot met Spanje, aan de dichters Samuel Coster, Jan Vos en Geerardt Brandt opdracht om een optocht te organiseren. Op praalwagens werden ‘vertoningen’ (tableaux vivants) over de vrede uitgebeeld. Daarbij werden gedichten voorgedragen, die later gedrukt werden. De drie kregen voor deze opdracht betaald.

We kennen heel wat voorbeelden van dichters die wel eens of regelmatig een beloning ontvingen voor hun activiteiten: P.C. Hooft, Jan Jansz. Starter, Caspar van Baerle (Barlaeus), Reyer Anslo en Jan Vos. De laatste bedankte de Amsterdamse burgemeesters elegant in een gedichtje:

Mijn zilver draagt, zegt gij, het wapen van de Stad.
Zoo veel heb ik tot dank, voor weinig rijm, gehad.

Jan Vos had zich een bijzondere positie weten te verwerven, met name bij de Amsterdamse burgemeestersfamilie Huydecoper. Hij kwam er regelmatig op bezoek en werd ook uitgenodigd om mee te gaan naar hun landgoed bij Maarssen. Daarover valt van alles te lezen in gedichten over verschillende familieleden en/of hun bezittingen. Altijd klinkt er lof op hun kwaliteiten, vooral de bestuurlijke: de Huydecopers stellen de stedelijke gemeenschap boven hun eigenbelang. Het contact leverde Vos ook de functie van ‘stadsglazenmaker’ op – hij verdiende zijn geld als ontwerper en maker van glas-in-lood ramen en zo was hij voor langere tijd van opdrachten voorzien. Maar dat het Vos om deze ‘extra’s’ te doen was, zul je hem niet horen zeggen. Hij verkondigde juist, net als veel anderen, dat dichten alleen eer opleverde:

De Dichtkunst acht men arm: maar ’t zeggen heeft geen schijn.
Wie alles doet om niet, toont die zich arm te zijn?
Neen: rijker dan degenen die goud door twisten halen.
De Dichtkunst laat zich met een lauwerblad betalen.
Men zegt dat de Dichtkunst arm is: maar dat is onzin.
Is iemand die alles voor niets doet altijd arm?
Nee: hij is juist rijker dan wie goud verdient met vechten.
De Dichtkunst wordt met een laurierkrans betaald.

Een andere dichter die bekend staat om zijn werk in opdracht is Joost van den Vondel. Hij maakte bijvoorbeeld vaak bruiloftsgedichten op bestelling, zoals ook veel andere auteurs deden. In 1655 vroeg het Amsterdamse stadsbestuur Vondel om een gedicht voor de opening van het nieuwe stadhuis. In bijna 1400 regels beschreef hij het gebouw en de totstandkoming ervan, maar hij nam de gelegenheid vooral ook te baat om Amsterdam in al haar facetten te beschrijven. Vondel wilde zijn begunstigers natuurlijk graag tevreden stellen en putte zich uit in lof aan het adres van de stad, het bestuur, de burgers en de belangrijkste gebouwen.

In de volgende passage mondt de beschrijving van de voorzijde van het gebouw – met daarop de drie allegorische beelden Voorzichtigheid (wijs bestuur), Vrede en Rechtvaardigheid – uit in een beschrijving van Amsterdam als het belangrijkste handelscentrum van de wereld:

De gevel voert in top Voorzichtigheid, en Vrede.
Rechtvaardigheit bekleedt, ter slinke hant, haar stede,
regeert met haren staf, en weegt een ieders recht,
gelijk en ongelijk, door ’s weegschaals tong beslecht.
De westerzon verzinkt omtrent de westkim zachter,
om zich te spiegelen in ’s gevels praal van achter,
daar deze hooftstad draagt den hoed van god Mercuur,
den graadboog en kompas en kaartboek, kaart en stuur,
kanasterbaal en kas ziet slingren voor haar voeten,
als schatten, die door winst al ’s koopmans zorg verzoeten.
Vier werelden, en elk uit een verscheiden lucht
genaken de godin, en offren hare vrucht,
uit rechte eerbiedigheid. Het goudrijk Amerijke,
’t wijdheersende Azia, het leeuwenvoênde Afrijke,
het burgerlijk Europe ontvouwen door dien schat
en gaven hare gunst gedragen deze stad,
die alle kusten kent, en omzeilt, en bewandelt,
met gele en zwarte Moor, en alle uitheemsen handelt,
vandaar het gouden hoofd des morgens straalt, en praalt,
of ’s avonds in den schoot van Thetis nederdaalt,
of ’s middags blaakt, of ’s nachts, bij ’t grimmen van de beren,
geen ijs ontdooien kan, noch sneeuw en sneeuwjacht deren.
[onderwerp: de zon] Dus schijnt de wereld heel om Amsterdam gebouwd,
gelijk men ze, op haar troon gezeten, hier aanschouwt.

Overigens was Vondel niet de enige die een lovend gedicht schreef ter ere van het nieuwe gebouw. Jan Vos maakte er ongevraagd ook een. Dat was wel slim. Hij toonde zo aan dat ook hij vol lof over Amsterdam kon schrijven, en zo verstevigde hij zijn band met de burgemeesters. Bovendien kon je ook voor gedichten die niet in opdracht geschreven waren wel een beloning krijgen. Er werden in de zeventiende eeuw talloze gedichten geschreven voor belangrijke gebeurtenissen in het leven van de Amsterdamse burgemeesters.

Verder lezen
Maecenas in zijn tuin met de schrijvers Vergilius, Horatius en Varius.
Anonieme prent van de tableaux vivants bij de optocht in 1648.
Burgemeester Joan Huydecoper was een bekende Amsterdamse mecenas voor schilders en voor de dichter Jan Vos.