literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw

Dubbeltalenten komen veel voor: actrices die zingen, zangers die acteren. Musicalsterren moeten kunnen acteren, zingen én dansen. Ook in de Gouden Eeuw was een dubbeltalent heel gewoon: Tesselschade Visscher, Maria Visscher en Huygens bijvoorbeeld konden goed musiceren én dichten. Visuele kunsten als tekenen en glas graveren gingen vaak samen met schrijven. Maar de meeste aandacht trok de combinatie van de ‘zusterkunsten’ schilderen en dichten. Al in de oudheid bestond er wedijver tussen deze twee: welke was de beste? In de renaissance werd de discussie voortgezet.

Met veer en kwast – over dubbeltalenten

Met schilderen kon je goed geld verdienen. Iedereen die een beetje op stand was, had een landschap en een stilleven aan de muur en als je meer betaalde, had je een portret. Schilders zaten dus meestal niet om inkomsten verlegen. Met dichten daarentegen kon je nauwelijks iets verdienen en daarom schreven velen, ook schilders, poëzie vooral in hun vrije tijd.

Een bekende schilder-dichter was Karel van Mander. Hij verhuisde uit de Zuidelijke Nederlanden naar Haarlem, en werd daar een centrale figuur in dichters- en schilderskringen. Hij richtte een schilderacademie op en schreef verschillende handleidingen voor schilders, verzameld in zijn Schilder-Boeck (1604). Van Mander gaf daarin veel ‘weetjes’ die ook voor dichters golden: hij kende immers van beide kunsten de fijne kneepjes.

Ook Gerbrand Bredero was een dubbeltalent, hoewel hij veel bekender is gebleven om zijn gedichten, liederen en toneelstukken. Hij was niet bepaald scheutig met mededelingen over zijn schildersactiviteiten en als hij het erover had, was duidelijk dat hij het vooral zag als broodwinning. Zo schreef hij in een rijmbrief aan ene Jacoba in 1613:

Jacobe goede nacht, mijn eigen zaken roepen
mij tot de schilder-kunst, en die tot zoet gewin.

We weten dat Bredero in de leer was geweest bij de schilder Francesco Badens (1571-1621), die in de ‘Italiaanse stijl’ gespecialiseerd was, maar dat is ongeveer het enige. Zijn schilderijen zijn niet bewaard gebleven, zoals er trouwens ook maar weinig portretten van hemzelf bekend zijn. Dat leidde tot misverstanden: een portret van de Engelsman Bailly werd jarenlang voor dat van Bredero gehouden en werd op allerlei uitgaven met Bredero’s werk afgedrukt.

Bredero’s uitspraak dat hij weer echt aan de slag moet, gaf de algemene zestiende- en zeventiende-eeuwse mening van dichters over schilders weer. Schilderen was een ambacht met de handen en dus geen echte kunst; voor schrijven had je je verstand en echt talent nodig. De meeste schilders werkten inderdaad als ambachtslieden en maakten eindeloos veel landschappen en stillevens. De ‘grote’ kunstenaars als Rubens, Rembrandt, Vermeer en Hals waren eigenlijk uitzonderingen, maar zij zorgden er wel voor dat het schildersberoep in de Republiek steeds meer artistieke uitstraling kreeg.

Die ontwikkeling was al langer bezig. In de Zuidelijke Nederlanden hadden schilders zich al eerder verzet tegen het beeld dat ze minderwaardige arbeid leverden. De schilder-dichter Lucas d’Heere, leermeester van Van Mander, schreef in 1565 een verdediging van de schilderkunst (Pictura), die hij richtte aan de Antwerpse rederijkerskamer De violieren. Het is een refrein met als stokregel: ‘Hier om is zij [de schilderkunst] de konstigste konste der konsten’. Hij draagt daar allerlei argumenten voor aan:

Hoewel (sprak hij) dat mij elke konste wel greit,
nochtans ben ik Pictura schuldig meest ere en jonsten
om d’ oorzaken volgende naar der waarachtigheid
hier om is zij de konstigste konste der konsten.
Hoewel (zei hij) ik elke kunst zeer waardeer,
ben ik Pictura de meeste eer en gunsten schuldig
en wel om de volgende, ware oorzaken
waarom de kunst de kunstigste der kunsten is.
De konste Pictura is een gave des Heren,
den mense voorghehouden deur de nature.
Daar en is geen konste onder den hemelvonden
oft een oprecht schilder en heeft er af ’t verstand.
Dus zijn alle konsten in Pictura omwonden:
ten eerste heeft zij de studie met der hand;
poëzie die volget haar ook an elken kant
De kunst Pictura is een gave van God,
die ik door Natuur verkregen heb.
Er is geen kunst op aarde,
of een betrouwbare schilder heeft er inzicht in.
Dus heeft Pictura alle kunsten in zich:
ten eerste gebruikt zij geleerde wijsheid
en de poëzie volgt haar van alle kanten:

Maar het was ook weer niet enkel haat en nijd tussen schilders en dichters. Natuurlijk was de ene kunstenaar soms jaloers op de andere, maar uiteindelijk was het vooral een wedstrijd op papier. Al in de klassieke oudheid was geschreven over de tegenstellingen tussen dicht- en schilderkunst en in de renaissance ging dat door. De geschriften in dit debat kregen de naam paragone, wat in het Italiaans ‘vergelijking’ betekent.

In het dagelijks leven werkten schilders en dichters juist veel samen. Vondel bijvoorbeeld had veel schilders onder zijn vrienden. In 1653 werd hij door de Amsterdamse schilders van het St. Lucasgilde tijdens hun jaarfeest gekroond met een lauwerkrans, het traditionele eerbewijs uit de oudheid voor kunstenaars. Vondel schreef een groot aantal bijschriften op schilderijen. In 1641 daagde hij Rembrandt uit met een grapje bij een portret van dominee Cornelis Anslo:

Ai, Rembrandt, maal Cornelis’ stem.
Het zichtbre deel is ’t minst van hem:
’t onzichtbre kent men slechts door d’ oren.
Wie Anslo zien wil, moet hem horen.

Het toptalent onder de schilder-dichters was Jan Luyken. Hij kon etsen als de beste en schreef prachtige poëzie. Vooral in zijn embleembundels liet hij zijn kracht zien. Op internet kun je drie van die bundels bekijken: De Duytse lier (1671), Jesus en de ziel (1685) en Het menselyk bedryf (1694). Normaal gesproken werden de afbeeldingen en de teksten in embleembundels door verschillende personen gemaakt, maar Luyken deed het allebei zelf.

Verder lezen
Anonieme ets van Bredero in zijn atelier. De schilder moet de deugden geloof, hoop en (zorgende) liefde afbeelden in plaats van de erotische liefde van Venus. Zij vertrekt, met haar zoon Cupido.
Het embleem ‘De schilder’ uit Het menselyk bedryf. Het gedicht vertelt dat de schilder het uiterlijk en daarmee ook het innerlijk van de dingen weergeeft, zoals de zichtbare natuur door Gods wijsheid ontworpen is en een goddelijke kern in zich heeft. De aandachtige kijker ontdekt die oorsprong.