literatuurgeschiedenis.nl | de achttiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Justus van Effen
Utrecht 1684 - 's-Hertogenbosch 1735

Voordat Justus van Effen beroemd werd met zijn Hollandsche Spectator schreef hij vier spectators in het Frans. Met de eerste, Le Misantrope (1711), introduceerde hij het verschijnsel spectator op het continent. De laatste heette Le Nouveau Spectateur François (1725-1726) en daarin publiceerde Van Effen een van zijn mooiste verhalen, ‘Lettre d’un homme d’âge’ (1725), in 1742 twee maal vertaald als ‘Brief van een’ bejaarden man’. Het is de bekentenis van een burgerjongen die beseft dat zijn ambitie te worden opgenomen in adellijke kringen tot mislukken is gedoemd. In zekere zin weerspiegelt dit verhaal het leven van Van Effen zelf die jarenlang probeerde hogerop te komen, maar zichzelf in leven hield door te schrijven, te vertalen, of door zich te verhuren als privé-leraar of privé-secretaris in adellijke kringen. Pas op late leeftijd promoveerde hij in de rechten.

Bijzonder van ‘Brief van een’ bejaarden man’ is de grote psychologische diepgang van het verhaal. Meestal zijn romanpersonages uit dezelfde periode minder goed uitgewerkt, het zijn meer types. Deze hoofdpersoon echter doet niets anders dan zichzelf analyseren:

Op één dag speelde ik vaak drie rollen: die van bel-esprit, saletjonker en van vechtersbaas. Dat ging zo ver dat ik nog vóór mijn achttiende verjaardag al tweeduizend gedachten in proza en poëzie had geproduceerd, zes maîtresses had versleten en meer dan tienmaal mijn degen getrokken – alles met meer geluk dan wijsheid.

Van Effen had een goede leerschool in het schrijven gehad, doordat hij al vroeg begon met vertalen – uit het Engels in het Frans - van het werk van topauteurs als Swift, Mandeville en Defoe, stuk voor stuk geduchte stilisten en satirici. Dat ook het Nederlandstalige publiek gevoelig was voor goed geschreven satirisch proza kreeg Van Effen laat door. Pas op zijn zesenveertigste begon hij te publiceren in het Nederlands. Toen startte hij het weekblad De Hollandsche Spectator (1731-1735), een tijdschrift dat verscheen in een oplage van rond de 2000 exemplaren en dat bij talloze boekhandels door het hele land verkrijgbaar was. Het maakte hem op slag beroemd. In totaal schreef Van Effen (die af en toe hulp kreeg van een aantal vaste medewerkers), tot aan zijn dood, 360 nummers, in een ironisch, uitermate leesbaar proza. Hij werd een van de belangrijkste opinievormers van het land. Elke misstand, elke Nederlandse ondeugd stelde hij aan de kaak. In nummer 162 publiceerde de schrijver een ingezonden brief over een gevoelig onderwerp dat de hele eeuw door leidde tot heftige discussies, het begraven in de kerk:

Mijns inziens is geen enkele plaats zo ongeschikt voor het begraven van lijken als de kerk, waar alleen godsdienstoefeningen gehouden moeten worden. Wat voor een relatie hebben de doden met de levenden? Wat maakt het hun nu uit, die toch niet meer zijn of voelen, waar ze rusten? Ziet men niet dagelijks met wat voor een vuile stank dat verrotte stof (want wat is een dood mens anders) onze kerken vult, waardoor de levenden niet alleen worden afgeleid maar soms ook ziek en onwel worden? Men zou immers heel goed, net als de oude joden en Romeinen, onze doden buiten de kerken kunnen brengen, of zelfs buiten de steden, en ze hier of daar op een afgezonderde plaats begraven.
Verder lezen
Jurist, vertaler en opiniemaker Justus van Effen, de bekendste heer spectator van Nederland .