literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Johannes Kneppelhout
Leiden 1814 - Oosterbeek 1885

`Klikspaan’ noemde Jan Kneppelhout zich toen hij ging schrijven over zijn medestudenten. Hij verdeelde zijn medestudenten in twaalf typen en hij beschreef ze bepaald niet zachtzinnig. Hij beschouwde zichzelf dus als iemand die klikte over het studentenleven. De studenten smulden ervan, met name omdat Klikspaan niet alleen schreef over nerds en losers, maar ook herkenbaar onpopulaire hoogleraren beschreef.

Kneppelhout begon al heel jong met publiceren. Hij stamde uit een rijke Leidse familie, waar Frans de omgangstaal was. Zijn vader stierf toen Jan pas vier jaar oud was. Jan en zijn broer werden naar een elitaire kostschool gestuurd, waar Jan begon te schrijven in het Frans, aangemoedigd door de belezen directeur. Al in 1832 gaf hij op eigen kosten een boekje uit waarin stukjes stonden die hij op de kostschool geschreven had. Het waren nogal dromerige romantische stukjes.

In 1831 begon Kneppelhout aan zijn studie rechten in Leiden, waar hij geestverwanten vond. Leiden was een broeinest van literaire activiteiten en er ontstond een soort broederschap tussen studenten met literaire belangstelling. Ze schreven elkaar lange brieven, ze lazen elkaar hun gedichten voor en ze droegen hun werken aan elkaar op. Ze dweepten met de buitenlandse Romantiek. Nicolaas Beets en Johannes Hasebroek waren zijn beste vrienden.

Kneppelhout was een opvallende verschijning in Leiden. Hij bestelde zijn kleren in Parijs en hij las de nieuwste Franse literatuur. Hij reisde zelfs naar Parijs om de bekendste romantische Franse schrijver, Victor Hugo, te ontmoeten en daarover schreef hij brieven die in Leiden voorgelezen werden.

Kneppelhout schreef in de studententijd twee essays in het Frans die opvallende denkbeelden bevatten. In L’éducation par l’amitié (1835) had hij het over opvoeding door vriendschap. Elke jongen zou een oudere vriend moeten treffen die hem de weg wijst in de studie en de maatschappij. Zo’n vriend kon hem helpen zijn echte talenten te vinden. Dit essay loopt als een rode draad door Kneppelhouts leven. Hij probeerde steeds talentvolle jongelingen te vinden die hij kon begeleiden. In L’ère critique ou l’art et le culte (1837 ) schreef hij over de positie van de kunst in de maatschappij. In `organische tijdvakken’ is die geïntegreerd in de maatschappij, maar in andere, kritische tijden staat die geïsoleerd. Zijn eigen tijd vond Kneppelhout vijandig ten opzichte van de kunst. Ze werd volgens hem buitengesloten of verkilde in musea.

Vanaf 1839 sloeg Kneppelhout een nieuwe weg in. Zijn literatuur is dan niet meer romantisch maar realistisch. Hij nam afscheid van de vroege periode met een opstel in De Gids (1844) waarin hij met een zekere weemoed aan die periode terugdenkt:

O, die zwarte tijd! O, die goede dagen van voorheen, toen wij lange haren droegen en zoo diep rampzalig waren; die zonnige jaren van academievreugd, toen wij zoo wanhopig keken, toen men zich aan eene voortdurende romaneske aandoenlijkheid overgaf, die ons benijdbare nachten van slapeloosheid bezorgde, in heerlijker droomen gehuld dan de rust schenken kan, en welke den verhitten dichter verzen ingaven, uitboezemingen van een diep, maar, den Hemel zij dank! slechts gewaand en denkbeeldig ongeluk.

Hij begon met Studenten-typen. De `typen’ waren eerst in losse kleine boekjes verschenen, maar in 1841 werden ze gebundeld, gevolgd in 1844 door Studentenleven. Ze waren bedoeld om studenten te waarschuwen voor de gevaren die hen bedreigen. Hij gaat heel ver in het schetsen van wat hij aan slecht gedrag was tegengekomen. Hij beschrijft studenten die dronken worden, vernielingen aanrichten, naar de hoeren lopen en ten slotte de studie dan ook niet afmaken.

In de periode die daarna volgde schreef Kneppelhout verhalen. Enkele daarvan zijn zeer bijzonder, zoals Waanzinnig Truken, Spel en De Portlandvaas. Het eerste verhaal gaat over een raadselachtig autistisch kind dat verdrinkt. In Spel vertelt een man over de verslaving aan spelen, die op een gruwelijke manier zelfs in een veldhospitaal waar gewonde soldaten liggen de menselijke geest beheerst. Het derde verhaal gaat over een baldadige student die een kostbare Romeinse vaas in een museum vernielt.

Later schreef Kneppelhout geen romans of verhalen meer. Hij publiceerde wel reisverhalen en twee biografische geschriften. Beide gaan over knapen die hij onder zijn hoede genomen had maar die vroeg stierven. In 1868 gaf hij een boek over Gerard Bilders uit, waarin hij fragmenten uit de brieven en het dagboek van deze jonge schilder bijeengebracht had. Bilders gold als een vernieuwer in de schilderkunst die zijn talenten door zijn vroege dood niet had kunnen uitwerken. Over het wonderkind Jan de Graan schreef Kneppelhout het fijnzinnige boek Een beroemde knaap (1875). Jan de Graan was de vioolspelende zoon van een Amsterdamse cafébaas die al vroeg door hem het podium opgestuurd was. Kneppelhout bood de vader aan om Jan onder te brengen bij uitstekende leraren en zijn opleiding te betalen. Inderdaad kreeg Jan les, eerst van leraren van het Haags conservatorium, en daarna van Joseph Joachim, een beroemde Duitse vioolpedagoog en componist. De arme jongen leed echter aan tering en stierf op zijn 21ste.

Voor zijn dood verzamelde Kneppelhout zijn werk in twaalf delen. Hij stierf in Oosterbeek, waar hij een landgoed had gekocht dat hij zeer luxueus had ingericht en waar hij boeken en kunst verzamelde. Hij en zijn vrouw waren geliefd in het dorp, omdat ze anderen van hun rijkdom lieten profiteren. Kneppelhout richtte een concertzaal op en een opvoedingsinstituut voor Jonge Heren.

Verder lezen
Portret van Johannes Kneppelhout, door J.L. Cornet .