literatuurgeschiedenis.nl | de negentiende eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
François HaverSchmidt (Piet Paaltjens)
Leeuwarden 1835 - Schiedam 1894

Kun je je voorstellen dat iemand zijn hele leven lang doet alsof er een dubbelganger van hemzelf bestaat die de gedichten heeft geschreven die hij eigenlijk zelf heeft gemaakt? Die ook in het dagelijkse leven doet alsof hij brieven van die dubbelganger krijgt en die zelfs doet alsof die man verdwenen is en zijn literaire nalatenschap achtergelaten heeft voor hem?

Dat is wat François HaverSchmidt deed met de figuur Piet Paaltjens.

HaverSchmidt werd in Leeuwarden geboren, als zoon van een apotheker-wijnhandelaar. Hij beschouwde zijn kinderjaren later als paradijselijk en zou er steeds naar terug verlangen. Hij kwam veel bij zijn opa, die dominee was, en daarom wilde hij dat zelf ook worden. Hij was pas zestien toen hij klaar was met het gymnasium, en omdat zijn ouders hem nog te jong vonden voor de studie bleef hij een jaar lang lezen, voordrachten houden en schrijven, voor hij naar Leiden vertrok. Al in zijn vroege jaren schreef hij vaak over vermommingen en schijngestalten. Dat zou een vast thema in zijn werk worden, `schijn bedriegt’.

Toen hij in 1852 in Leiden aankwam, voelde hij zich in zijn element. Hij deed zeer vrolijk mee aan het studentenleven en hij sloot vriendschappen voor het leven. In de sociëteit klom hij op de tafel om eigen en andermans verzen voor te dragen. Hij kwam in de redactie van de studentenalmanak, wat heel eervol is. De gevoelens van vriendschap en verliefdheid waren zo overweldigend dat hij een tussenfiguur creëerde om erover te kunnen schrijven. Hijzelf kon zich blijkbaar niet zo direct uiten, en dus gebruikte hij Piet Paaltjens daarvoor, een dubbelganger die zich overgeeft aan het verlangen naar diepe vriendschap, oprechtheid, liefde en erotiek. Piet is een romanticus, die nogal zwaarmoedig is en overal teleurstellingen tegenkomt. HaverSchmidt zelf was ook een melancholicus, die met het leven kon omgaan door de creatie van de dubbelganger.

Bij de colleges maakte hij kennis met de moderne theologie, die niet meer uitging van een onaantastbare Bijbel, maar kritisch keek naar wat er werkelijk waar is. Hij werd een aanhanger van deze moderne richting.

HaverSchmidt vond het verschrikkelijk toen hij wegmoest uit Leiden omdat hij afgestudeerd was. Hij schreef aan een vriend over zijn laatste avond in Leiden, toen hij alleen door Leiden ging dolen en langs al de huizen liep waar zijn vrienden woonden of gewoond hadden:

Wat er in mijn hart omging? Ik kan het niemand zeggen. Ik gevoelde mij zo diep ongelukkig, dat het waarachtig was of mij het bonzend hart zou barsten in de boezem. Ik bad om tranen en ik kon niet wenen. Zie, ik had mij zo gans en al met ziel en lichaam verpand en verkocht en overgegeven aan het studentenleven en bovenal aan de vrienden die ik onder de studenten had gevonden, dat het voor mij was alsof ik moest sterven, neen, alsof ik levend zou moeten begraven worden, toen ik ook de laatste banden moest afsnijden, die mij hechtten aan mijn wereld.

Hij werd dominee in een heel klein Fries plaatsje, waar hij geen enkele verwante ziel vond en zich heel eenzaam voelde. ’s Avonds schreef hij gedichten en verhalen. Hier is de kiem gelegd voor zijn latere diepe melancholie. Na de hartstochtelijke studententijd was Foudgum een bittere teleurstelling voor hem. Wel leerde hij in deze tijd zijn aanstaande vrouw kennen, en ook begon hij steeds meer bekend te worden als schrijver.

In 1862 kreeg hij een plaats als dominee in Den Helder, waar heel wat meer te beleven viel. Hij had het er zo druk dat hij na korte tijd alweer naar een andere plaats uit ging zien. In deze periode heeft hij waarschijnlijk met enkele anderen het Oera Linda Boek geschreven. Dat was zogenaamd een heel oud handschrift, waarin bewezen werd dat de Friezen het oudste en beschaafdste volk ter aarde zijn. Heel wat mensen geloofden daarin.

Na Den Helder kwam HaverSchmidt in Schiedam terecht. Schiedam was een industriestad met veel arme werklui in de jeneverstokerijen. De gezondheidstoestand was er slecht. HaverSchmidt trok zich het lot van de arme arbeiders aan. Soms deed hij dan weer alsof hij een ander was, dan schreef hij onder pseudoniem een stukje in de krant om geld voor kleren of brandhout.

HaverSchmidts buurman was uitgever, en die haalde hem over om de gedichten van Piet Paaltjens uit te geven. Ze verschenen in 1867 onder de titel Snikken en grimlachjes, en ze werden een groot succes. HaverSchmidt werd heel geliefd als voorlezer. Hij had een prachtige stem en kon zijn gedichten en verhalen goed voorlezen. In zijn lezingen was hij vaak aan het goochelen met een dubbelganger. Van die had hij een verhaal gehoord dat hij nu zou vertellen, en in dat verhaal vlocht hij dan weer vaak gedichten in van Piet Paaltjens.

Die verhalen heeft hij gebundeld in Familie en kennissen (1876). Heel bijzonder is dat sommige van de stukken daaruit in het kinderperspectief geschreven zijn. De verteller kijkt als kind naar voorvallen en geeft daar vanuit het kind commentaar op.

Terwijl het literaire succes groeide, had HaverSchmidt het zelf in het dagelijks leven steeds moeilijker. Soms maakte hij periodes van zware depressies door. De gelovigen vonden dat hij veel te somber preekte. Er kwam zoveel dood in zijn preken voor, dat ze de kerk gingen mijden. Hij tobde met het leven, en toen zijn vrouw overleed kon hij het niet meer aan. Hij pleegde in 1894 zelfmoord.

Verder lezen
Portret van François HaverSchmidt .