literatuurgeschiedenis.nl | de twintigste/eenentwintigste eeuw Literatuurgeschiedenis.nl: De feesten van angst en pijn
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
De feesten van angst en pijn
Paul van Ostaijen, 1921

‘Ik kan geen postzegels verzamelen,’ dichtte Paul van Ostaijen - waarmee hij bedoelde dat het hem niet lukte als de andere mensen te zijn. De jonge dichter was in 1918 naar Berlijn gevlucht, om aan vervolging in zijn geboortestad Antwerpen te ontkomen. Hij had onder andere een bisschop beledigd.

Dat hij voor Berlijn koos, had te maken met de avant-gardistische kunstenaars die zich daar ophielden, en die Van Ostaijen in veel gevallen ook ontmoette. Hij wist veel van beeldende kunst en handelde er zelfs even in. Nauwelijks had hij in Berlijn zijn kamertje betrokken, of hij schreef ‘De Moordenaars’. Dit gedicht bleek De feesten van angst en pijn in te leiden, een fenomenale bundel die een radicale breuk inhield met Van Ostaijens vroegere poëzie. Was die nog min of meer klassiek van vorm, met een humanitaire boodschap, deze nieuwe bundel was bijzonder experimenteel. Een kleine drie jaar werkte hij eraan de bundel, om er in 1921, vlak voor zijn vertrek uit Berlijn, zelf één, uiterst kwetsbaar exemplaar van te maken.

De feesten van angst en pijn zou tijdens Van Ostaijens leven nooit in druk verschijnen. Bundeling zou ook geen sinecure zijn geweest, omdat Van Ostaijen de gedichten voltooide in een spectaculair, veelkleurig handschrift. Ook nu nog wordt de bundel alleen uitgegeven als kopie (‘facsimile’) van dit handschrift.

Van Ostaijen beschreef wat hij zag en ervoer in het roerige Berlijn van na WO I. Maar vooral geeft de bundel ook het fragmentarische ‘verhaal’ van een persoonlijke crisis, bijvoorbeeld met de klassiekers ‘Metafiziese Jazz’ en ‘Vers 6’. Dat laatste gedicht gaat zo:

Ik kan geen postzegels verzamelen
ik kan geen vrouwefoto's verzamelen
ik kan geen amourettes kollektioneren
en geen wijsheid
ik kan niets meer

ik kan niets meer

Waarom doof ik de lamp niet
en ga ik niet te bed

Ik wil beproeven
naakt te zijn
bloot wie weet wel gevroren purper
en bleekheid

Is zo niet het gans beginnende begin
Ik wil niets weten
ik wil niet vragen
waarom
ik niet werd een postzegelkollektioneur

Ik zal beginnen mijn débâcle te geven
ik zal beginnen mijn faljiet te geven
ik zal mij geven een stuk gereten arme grond
een vertrapte grond
een heidegrond
een bezette stad

Ik wil bloot zijn
en beginnen

Van Ostaijen schreef dit ontroerende gedicht in de grootstad Berlijn, kort nadat de eeuw van de vooruitgang aan flarden geschoten was door de kanonnen van de Duitsers, kort nadat zijn geboortestad Antwerpen vanuit de lucht gebombardeerd en vervolgens bezet was.

De zeppelin, de vliegende sigaar die voor de romantische, misschien van verre oorden dromende jongeling Van Ostaijen nog een enorme belofte had ingehouden – de wereld zou kleiner worden, de luchtvaart zou van de Amerikanen onze buren maken – deze zelfde zeppelin bleek óók een boosaardig moordwapen te zijn. Vooruitgang? Hoezo vooruitgang? Van Ostaijen gooit in 1921 de ballast van de moderne geschiedenis rigoureus overboord en droomt zichzelf daarmee opnieuw aan het maagdelijke begin van iets nieuws. Hij wil bloot zijn en beginnen en hij spoort ook zijn lezer aan zich het knellende pak van het lichaam te scheuren. Bloot zijn en beginnen! In de woorden ‘een bezette stad’ klinkt al de titel van zijn volgende bundel. Wellicht betekent dit dat het ‘beginnen’, ondanks alle twijfel, toch gelukt was.

Verder lezen
De feesten van angst en pijn (1921) werd in 2006 als facsimile volledig in kleur uitgegeven.