literatuurgeschiedenis.nl | de gouden eeuw
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Constantijn Huygens - de trotse virtuoos
Den Haag 4 september 1596 - Den Haag 26 maart 1687

Constantijn Huygens was een uitzonderlijk getalenteerd dichter. Dat zijn poëzie moeilijk en tijdloos tegelijk is, komt vooral door het complexe en vindingrijke taalgebruik. Eén van zijn specialiteiten was het spelen met woorden, bijvoorbeeld met zijn eigen voornaam. Hij noemde zichzelf in het Latijn ‘Constanter’ (de standvastige), en met een Nederlandse variant: ‘Vastaard’, iemand met een stabiel karakter. ‘Jij kunt van de allergewoonste dingen iets bijzonders maken’, zei zijn vriend Hooft vol bewondering.

Huygens had een levendige belangstelling voor alles om zich heen. Hij gaf, vaak met humor, zijn mening over zijn leven en zijn omgeving. Zijn diepe, calvinistische geloof was voor hem een enorme steun. De mens moet godvruchtig leven en zijn zonden onder ogen zien. God beslist of je na je dood in de hemel komt. Zo krijgen we een indruk van de mentaliteit van een rijke, vrome en geleerde zeventiende-eeuwse burger uit de hoogste kringen in de Republiek.

Hoewel Huygens veel geschreven heeft, kwam het kunstenaarschap voor hem toch niet op de eerste plaats. Belangrijker vond hij zijn maatschappelijke carrière. Die was vol successen. Hij had een baan aan het Haagse stadhouderlijke hof, eerst als secretaris van prins Maurits van Oranje Nassau, later van diens halfbroer Frederik Hendrik. Deze taak als dienaar van de Oranjes en de Republiek nam hij heel serieus.

Als hij niet voor zijn werk op reis was, was hij graag in Den Haag. In het gedicht Batava Tempe, dat is ’t Voor-hout van ’s Gravenhage (1621) prees hij de belangrijkste straat in het centrum, het Voorhout. Dat is zo mooi als het prachtige Tempe, het beroemde Griekse dal uit de oudheid. Met humor beschreef Huygens vervolgens hoe dwaas verliefde mensen zich ’s zomers in dit Bataafse (Nederlandse) Tempe gedragen. Serieuzer is het gedicht De Nieuwe Zee-straet van ’s Gravenhage op Schevening uit 1666, over de dan net aangelegde Scheveningse weg. Huygens had voor die weg al in 1653 een ontwerp gemaakt. Hij maakte ook zelf de tekeningen voor zijn huis op het Plein in het centrum van Den Haag en voor zijn buitenhuis met tuin vlakbij de stad, in Voorburg. En ook daar schreef hij over: Domus (‘Huis’, een prozabeschrijving in het Latijn, 1639) en Hofwijck (1653).

Mijn leven lijkt wel een rad van onrust, verzuchtte Huygens herhaaldelijk. Ondanks zijn drukke baan had hij een grote vriendenkring, met bijvoorbeeld de Amsterdamse geleerde en dichter Barlaeus en ook andere dichters, zoals Hooft, Cats en Tesselschade Visscher. Zijn artistieke belangstelling was ruim: hij bespeelde diverse instrumenten, componeerde muziek en wist veel over schilder- en bouwkunst. Geen wonder dat hij zijn poëzie tussen de bedrijven door schreef. De titels van enkele bundels geven dat ook aan: Otia of ledige uren (1625) en Korenbloemen (1658, herziene druk in 1672). De eerste titel wijst op de tijd die hij aan poëzie besteedde: zijn weinige vrije uurtjes. Zijn poëzie groeide net als de korenbloemen tussen de tarwe op de akker: hij maakte haar tussen de bedrijven door, een nuttige vrijetijdsbesteding. Hij verwachtte dan ook dat lezers zijn werk serieus namen en meedachten over de thema’s die hij aansneed.

In het weekend kon hij op zijn landgoed Hofwijck – de naam betekent ‘weg van het hof’ – ontsnappen aan zijn dagelijkse besognes. In het volgende gedicht denkt hij na over de verschillen met de rest van de week. Zoals gewoonlijk bij Huygens zit de tekst vol met gedachtesprongen. De lezer moet de moeilijke taal aandachtig volgen.

Rust op Hofwijck
28 november 1656
Op Hofwijk slaap ik maar, en droom van alle dingen,
op Hoofse en Haagse na: die weet ik te verdringen
met al wat Hofwijcks is, en tong, neus, oog en oor
vermaak bestellen kan. Ik proef, ik ruik, ik hoor,
ik zie met de ogen op, als mensen doen die waken,
maar ’t gaat gelijk men slaapt, en allerhande zaken
zijn hart ontmoeten laat, bij zorgeloos geval.
Drie halve dagen duurt dat slapen, en dat ’s al.
Op Hofwijck doe ik niets dan slapen en over alles dromen,
behalve over dingen van het Hof en Den Haag, die kan ik verdringen
met al het Hofwijckse vermaak dat tong, neus, oog of oor
kan brengen. Ik proef, ik ruik, ik hoor,
ik heb mijn ogen open, zoals wakkere mensen doen,
maar toch lijkt het alsof ze slapen en allerlei zaken
op zich af laten komen, zonder zorgen en toevallig.
Drie halve dagen duurt dat slapen en dat is het dan.
Van daar begin ik mij te manen door mijzelve
dat mij te passen staat op ’t woelend uur van elven
en waken heel de week, in de ongerustigheid
van allemans gekwel om allemans bescheid,
in stormen van geschil, in (erger) zoele winden,
die vijanden ter sluip aantasten, en wel vrinden
met hoon en achterklap, wel broeder, wel verwant,
en sparen rappigste nóch zuiverste van ’t land;
in over-ijdelheid van snappende saletten;
in ’t eeuwig roerende van wielen zonder wetten:
Voorhoutse molens van de kostelijkste snof,
die m’altijd draaien ziet en malen niet als stof.
Daarna begin ik mezelf aan te sporen
dat ik me moet voorbereiden op het drukke tijdstip van elf uur
en dan heel de week scherp moet blijven, in alle drukte
van het gezeur van mensen over de verhalen van anderen,
van woedende meningsverschillen, van (nog erger) broeierige praatjes,
die heimelijk vijanden beschadigen, en zelfs vrienden
met hoon en roddel, zelfs broers, zelfs familieleden,
en noch de schurftigste nóch de oprechtste mensen uit het land sparen;
in de grote leegheid van kletsende gezelschappen;
in het eeuwig bewegen van zinloos rondrijdende koetsen:
hun dames als Voorhoutse molens met de duurste kleren,
die men altijd ziet rondrijden in nutteloze stofwolken.
Beminde Zaterdag, zijt gij nog ver van komen?
Spoed toch en help mij weer aan Hofwijcks zoeter dromen.
Kom, paarden voor de koets, ’k voel dat ik u genaak,
en Haag, goenacht; ik geeuw, maar van Hofwijckse vaak.
Geliefde zaterdag, duurt het nog lang voor je komt?
Schiet alsjeblieft op en breng mij weer die fijne Hofwijckse dromen.
Kom, paarden voor de koets. Hofwijck, ik voel dat ik dichterbij u kom,
En, Den Haag, goedenacht, ik geeuw van Hofwijckse slaap.

Hofwijck is een zalige droom, die elke maandagochtend om 11 uur voorbij is. Het droommotief is een vast element bij Huygens, net als het verschil tussen wakker zijn en slapen. Hij beschreef het vaak met een paradox: sommige gebeurtenissen in de werkelijkheid lijken wel een droom, terwijl in je dromen juist alles waar lijkt. Dat besef kan je in een diepe crisis storten, zoals Huygens ondervond bij de plotselinge dood van zijn vrouw Susanna van Baerle in 1637. Zij stierf enkele weken na de geboorte van hun vijfde kind. Susanna was zijn absolute ster, zoals uit veel gedichten blijkt. Pas vele maanden later pakte Huygens de pen weer op, geholpen door het advies van Tesselschade Roemers Visscher: ‘Stel uw leed te boek, zo hoeft gij ’t niet te onthouwen’.

Huygens is altijd een scherpe waarnemer gebleven. In het epigram voor zijn gestorven hond verwoordde hij nog eens kernachtig dat eigenbelang niemand vreemd is:

Grafschrift van mijn hondje Gekkie
Hofwijck, 25 oktober 1682
Dit is mijn hondjes graf.
Ik zeg er niet meer af
niet meer af: dan dat ik wenste (en de weer’ld was niet bedorven),
dat mijn klein Gekkie leefde en alle groten storven.
Verder lezen
Dubbelprotret van Constantijn Huygens en zijn vrouw Susanna van Baerle, omstreeks 1635.
Hofwijck omstreeks 1660, getekend door Constantijn Huygens jr.