literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Les 8: Voegwoorden

Het Middelnederlands heeft minder voegwoorden dan wij tegenwoordig hebben. Een aantal oude getrouwen zien we in die tijd ook al, zoals als (of alse), dat en of, ook al is het gebruik soms net even anders.

Van vorm veranderd is toen, dat destijds meestal doe was: Doe dese tale was ghedaen, doe ghinc Nobel die coninc staen (‘toen dit gezegd was, ging koning Nobel staan’).

Maar we zien er ook voegwoorden die nadien verdwenen zijn, zoals bedi, wat zoveel betekende als ‘omdat’: in wille niet dagen, bedi ic wille varen jaghen int foreest van Goriende: ‘ik wil niet talmen, omdat ik wil gaan jagen in het woud van Goriende’. Het eerste in is weer de samenvoeging van ic en.

Een ander oud voegwoord dat veel mensen niet meer zullen kennen, is onthier: Dat kint ne doet noch ne weet altoes ne gheerehande quaet, onthier et sprekens bestaet: ‘het kind doet noch weet geen enkel kwaad, totdat het begint te spreken’. Soms is het onthier ende: onthier ende hi quam tUtrecht. Of het voegwoord thent (‘totdat’), zoals in thent du ghenesen biste.

En ten slotte zijn er veel omschrijvingen waar wij een enkel voegwoord zouden gebruiken, zoals in alsoe ghelijc alse ten warden van der heileger ewangelien behoerlec es (‘zoals bij de woorden van het heilig evangelie passend is’); ghelycker wys dat de locht verclaert wert met den lichte der zonnen (‘zoals de lucht helder wordt door het licht van de zon’).

Schrijvende man die aantekeningen maakt op een wastafel. Nadat de aantekening op papier of perkament waren uitgewerkt, werd de waslaag gladgestreken en kon er opnieuw op worden geschreven. Margedecoratie in het getijdenboek van de Meester van Catharina van Kleef.