literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Mariken van Nieumeghen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Mariken van Nieumeghen
auteur onbekend, ca. 1500-1515 , Antwerpen (?)

Mariken wordt door haar oom, bij wie ze in huis woont, naar Nijmegen gestuurd om op de markt boodschappen te doen. 's Avonds is het te laat om veilig naar huis terug te lopen, maar haar Nijmeegse tante wil haar geen onderdak bieden en jaagt haar weg. Wanhopig gaat Mariken bij een heg zitten. Daar spreekt een vreemdeling haar aan, de duivel vermomd als mens. Hij maakt zich bekend als ‘Moenen met het ene oog’ en belooft haar kennis en rijkdom als ze met hem meegaat. Wel moet ze haar naam veranderen, want hij vindt het niet prettig steeds aan een zekere Maria herinnerd te worden. Mariken wordt nu Emmeken (een naam die kleine M betekent, en dus nog naar haar eigen naam verwijst). Emmeken en Moenen reizen naar Antwerpen, waar ze zeven jaar lang een wild en zondig leven leiden. Dan wil Emmeken haar familie terugzien. Ze gaan naar Nijmegen en zien daar op straat de opvoering van een toneelstuk over Gods genade. Emmeken krijgt berouw. De duivel voert haar hoog de lucht in en laat haar vallen om zo haar nek te breken en haar ziel mee te voeren naar de hel. Maar ze overleeft de val doordat haar oom voor haar gebeden heeft. Met hem reist ze naar de paus om vergeving te vinden voor haar zondige jaren. De paus geeft haar metalen ringen om haar nek en armen. Als de ringen eraf zullen vallen, zal dat het teken zijn dat God haar vergeven heeft. Mariken gaat het klooster in. Na vele jaren van boetedoening verschijnt er een engel die in haar slaap de ringen verwijdert. Als Mariken twee jaar later sterft, worden de ringen boven haar graf geplaatst.

Fragment voorgelezen door: Veerle Fraeters (Mariken) / Theo van Lint (Die duvel)
Fragment waarin Mariken Moenen ontmoet (vs. 196-219).
Mariken
Wie sidi, vrient?
Mariken
Wie ben je, vriend?
Die duvel
     Een meester vol consten,
Nieuwers af falende, wes ic besta.
De duivel
     Professor in de wetenschappen.
Alles lukt me, wat ik ook probeer.
Mariken
’t Comt mi alleleens met wien dat ick ga,
Also lief gae ic metten quaetsten als metten besten.
Mariken
Het maakt me niet uit met wie ik verkeer,
met de verdorvene of de volmaakte.
Die duvel
Wildi u liefde te mi werts vesten,
Ick sal u consten leeren sonder ghelijcke,
Die seven vrie consten: rethorijcke, musijcke,
Logica, gramatica ende geometrie,
Aristmatica ende alkenie,
Dwelc al consten sijn seer curable.
Noyt vrouwe en leefde op eerde so able
Als ic u maken sal.
De duivel
Als je mij tot de jouwe maakte,
ik zou je de zeven vakken leren
tot in de puntjes: retoriek, musiceren,
logica, grammatica en geometrie,
rekenkunde en alchemie,
wetenschappen die men altijd eerde.
Geen aardse vrouw was ooit zo'n geleerde
als jij zult worden.
Mariken
So moetti wel zijn een constich man.
Wie sidi dan?
Mariken
Je bent dus een kundig man.
Maar wie ben je dan?
Die duvel
Wat leyt u daeran?
Wie ick ben en soudi met rechte vraghen niet.
Ick en ben die beste van mijnen maghen niet,
Maer u dat ic nemmermeer niet dan jonste en toge.
De duivel
Dat gaat je niks an.
De waarheid weten, dat hoef je niet.
Ik ben het zachtmoedigste boefje niet,
maar voor jou ben ik goed, jou heb ik hoog.
Mariken
Hoe heeti, vrient?
Mariken
Hoe heet je, vriend?
Die duvel
Moenen metter eender ooghe,
Die wel bekent es met veel goede ghesellen.
De duivel
Moenen met het ene oog,
Ik heb vrienden in alle hoeken en gaten.
Mariken
Ghi sijt die Viant vander hellen.
Mariken
De duivel ben je, uit de hel losgelaten.
Die duvel
Wie ick ben, ic ben emmer ghejonstich tot u.
De duivel
Jou heb ik hoog. Jouw beschermer ben ik.
Mariken
Ick en hebbe oeck van u ancxt, vrese noch gru;
Al quame Luycefer selve uuter helscher ghewelt,
Ick en souder niet af vervaert sijn, so ben ic gestelt;
Ick ben onghequelt van allen anxten.
Mariken
Ik heb voor jou geen angst, vrees of schrik;
al kwam Lucifer zelf uit het helse geweld,
dan nog vreesde ik niet. Zo is 't met me gesteld.
Alle angst is me ontnomen.
(vertaling: Willem Wilmink)

De Mariken van Nieumeghen (eigenlijk: Die waerachtige ende een seer wonderlijcke historie van Mariken van Nieumeghen die meer dan seven jaren metten duvel woende ende verkeerde) werd tussen ca. 1500 en 1515 geschreven. De schrijver is niet bekend. Aan de vorm van de verzen is te zien dat hij een rederijker was. Het verhaal is overgeleverd in oude gedrukte boekjes, waarvan het oudste in ca. 1515 gedrukt werd door de bekende Antwerpse drukker Willem Vorsterman.

De Mariken bestaat voornamelijk uit dialogen op rijm, die ingeleid worden door korte prozastukjes. Waarschijnlijk was de Mariken eerst een roman die geheel in proza geschreven was. Iemand zette daarna het grootste gedeelte van het verhaal om in berijmde dialogen, omdat dat prettiger te lezen zou zijn. Hierdoor lijkt de tekst op een toneelstuk, hoewel hij dat waarschijnlijk niet is.

In de Mariken staan verleiding, zonde en vergeving centraal. In de Middeleeuwen waren dat heel belangrijke thema’s. Volgens hun geloof gingen de mensen naar de hel als hun zonden niet vergeven zouden worden. Vergeving kon verkregen worden door bijvoorbeeld boete te doen of via hulp van heiligen. Mariken moet metalen ringen dragen totdat God haar zonden vergeven zal hebben. Ook de Beatrijs vertelt over een jonge vrouw die jarenlang in zonden leeft, maar ten slotte vergeving vindt.

Verder lezen
Mariken krijgt berouw over haar zondig leven en wil niet langer met Moenen mee. Deze sleept haar daarop mee de lucht in. Houtsnede uit de druk van Willem Vorsterman, Antwerpen, ca. 1515.