literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Pyramus en Thisbe
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Pyramus en Thisbe
auteur onbekend, veertiende eeuw (of mogelijk eerder) , uit het handschrift-Van Hulthem (in of nabij Brussel, ca. 1405)

In Babylon leefden eens een jongen die Pyramus heette en een meisje met de naam Thisbe. Zij werden verliefd op elkaar, wat zij lange tijd voor de wereld verborgen wisten te houden. Op zekere dag werd hun geheim ontdekt en terstond verboden hun families hun elke omgang. Hoewel beide huizen aan elkaar grensden, konden de geliefden elkaar niet zien of spreken, omdat een muur de percelen scheidde. Wanneer de verliefde Thisbe echter een spleet in de muur ontdekt, slaagt zij er toch in met Pyramus te spreken. Hij weet haar ertoe over te halen hem nog diezelfde nacht te ontmoeten op een vlakte met bomen even buiten de stad. Als Thisbe om middernacht als eerste op de afgesproken plaats aankomt, moet zij vluchten wanneer er plotseling een leeuwin uit het struikgewas tevoorschijn komt. De leeuwin merkt haar niet op, maar haar kostbare mantel, die zij inderhaast verloren is, verscheurt zij met haar bloedige muil. Na bij een bron gedronken te hebben verdwijnt de leeuwin weer naar vanwaar zij gekomen is. Intussen verschijnt Pyramus ten tonele. Hij ontwaart in het maanlicht Thisbe's bebloede en gehavende mantel. In de waan verkerend dat Thisbe door een leeuw is gedood, pleegt Pyramus diep bedroefd zelfmoord door zich in zijn zwaard te storten. Wanneer Thisbe nu voorzichtig terugkeert om te zien of Pyramus al is gekomen, ontdekt zij met ontzetting haar stervende geliefde. Na haar nog eenmaal te hebben aanschouwd, geeft hij de geest. In haar wanhoop ziet Thisbe geen andere uitweg dan Pyramus in de dood te volgen, om zo toch voorgoed samen te zijn. Ze werpt zich in zijn zwaard en gezamenlijk begeven hun zielen zich in de grote schare geliefden die vertoeven in het rijk van de liefde.

Fragment waarin Thisbe de stervende Pyramus ontdekt en de hand aan zichzelf slaat (vs. 244-280)
Ende als sine alsoe ligghen sach,
dorsteken metten sweerde,
viel si neder op die erde.
Saen wert si in ommacht.
Ende alst haer weder was ghesacht,
stont si op crankelike
ende sprac te hem ontfarmelike:
‘Ay mi, scoene Piramus,
suete lief, hoe ligdi dus?
Wacharme, hoe stille zwijchdi?
Ic ben, Tysbe, sprect jeghen mi.’
Doen sloech hi doeghen op hare
ende sach in haer anschijn clare.
Hi waende haer antworde gheven
ende mettien es hi doot bleven.
Doen viel in ommacht dat edel wijf
plattelinghe neder op sijn lijf.
Lanc waest eer si ghenas.
Ende als si becomen was
seide si: ‘Och, leider ongheval,
wat hebdi ons gheweten al!
Maer daer dongheval beghint te gane,
daer blivet gherne hangende ane.
Och, en waren wi onghevallech niet,
dit en ware ons niet ghesciet.’
Si dreef de jammerlijcste claghe
die noit wijf dreef in enen daghe.
Noch sprac Tysbe in deser wijs
toter zielen haers amijs:
‘Ontbeidt, lief, ontbeidt na mi,
ende laet mijn ziele varen met di;
hebben wi blisscap ofte zeer,
wi bliven te gader emmermeer.’
Doen viel int sweert die joncfrouwe.
en toen ze hem zo liggen zag,
doorstoken met het zwaard,
viel ze ter aarde neer
en raakte weldra bewustloos.
En nadat ze weer tot zichzelf kwam,
bracht ze zich met moeite weer overeind
en sprak vol deernis tot hem:
‘Ach, mooie Piramus,
lieveling, wat lig je daar nu!
Ach, wat ben je stil!
Ik ben het, Tisbe, zeg toch iets tegen me.’
Toen sloeg hij zijn ogen naar haar op
en keek haar aan in haar heldere gezicht.
Hij wilde haar antwoorden,
maar op datzelfde ogenblik stierf hij.
Daarop viel de edele vrouw in zwijm,
languit over zijn lichaam.
Het duurde geruime tijd voor zij weer bij kennis kwam,
en toen dat eenmaal zo was
zei ze: ‘O, droevig ongeluk,
wat heb je ons weten te vinden;
maar waar het ongeluk zich aandient,
daar gaat het niet zo snel meer weg.
Och, als we wat meer geluk hadden gehad,
dan was dit alles ons niet overkomen.’
Ze uitte de droevigste klacht
die ooit van een vrouw werd vernomen.
Nogmaals sprak Tisbe, op de volgende manier
tot de ziel van haar geliefde:
‘Wacht, mijn lief, wacht op mij,
en laat mijn ziel met jou mee gaan.
Of we nu vreugde of ellende tegemoet gaan,
altijd zullen we dan bij elkaar zijn.’
Toen liet het meisje zich in het zwaard vallen.

Deze prachtige, tragische geschiedenis vinden we in een korte vertelling-in-verzen, ook wel sproke genoemd, die staat opgetekend in het handschrift-Van Hulthem. Deze tekst is er maar een van de vele, want de verzameling is bijzonder rijk aan zulke gedichten. Behalve sproken kun je er ook berijmde spreuken, gebeden, liederen, en nog veel meer in lezen. De hele collectie vormt zo een staalkaart van de genres en de thema’s die het gezicht van onze letterkunde in de veertiende eeuw bepaalden. Omdat veel van de teksten alleen in dit handschrift bewaard zijn gebleven, is het boek van onschatbaar belang voor onze kennis van de toenmalige literatuur.

Tot de belangrijkste teksten uit dit handschrift worden de toneelspelen gerekend: vier stukken die serieus van aard zijn (abele spelen) en zes vrolijke kluchten. De vier abele spelen (waaronder de eveneens tragische liefdesgeschiedenis Lanseloet van Denemerken) behoren tot het oudste wereldlijke drama dat er in West-Europa uit de Middeleeuwen bewaard is gebleven. Wie het handschrift-Van Hulthem heeft samengesteld en op welke plaats dat is gebeurd, weten we niet. Maar als we zorgvuldig kijken naar de teksten die erin zijn opgenomen en de ouderdom van het gebruikte papier bepalen, dan mogen we wel aannemen dat het boek omstreeks 1405 in of in de nabijheid van Brussel werd geschreven.

Verder lezen
Thisbe ontdekt de stervende Pyramus. Schilderij van Baldung Grien uit ca. 1530.
De liefdesdood van Thisbe in een Bourgondisch handschrift met L'épître d'Othéa van Christine de Pizan.