literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Lanseloet van Denemerken
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Lanseloet van Denemerken
auteur onbekend, tweede helft veertiende eeuw , zuidelijke Nederlanden (misschien Brabant)

De Deense prins Lanseloet is verliefd op Sanderijn, een jonkvrouw aan het hof. Lanseloet probeert Sanderijn te verleiden, maar die is daarvan niet gediend: ze houdt weliswaar van hem, maar ze weet ook dat ze van te lage komaf is en dat een huwelijk daardoor uitgesloten is. Ze wenst geen seksueel contact met Lanseloet omdat ze met het oog op een toekomstige verbintenis haar eer (maagdelijkheid) wil bewaren. Lanseloets moeder is er echter niet gerust op en verzint een list om Sanderijn kwijt te raken. Ze zorgt ervoor dat haar zoon één nacht met zijn geliefde kan doorbrengen, waarna hij haar moet verstoten door haar onhoofs toe te spreken. Lanseloet doet wat zijn moeder hem voorstelt. Dit heeft tot gevolg dat Sanderijn ontredderd het hof verlaat. Ze komt terecht in een ver land, waar een ridder op jacht haar aantreft. Nadat Sanderijn de ridder door middel van subtiele beeldspraak heeft duidelijk gemaakt dat haar eer geschonden is, neemt de ridder haar desondanks mee naar zijn kasteel, waar ze in het huwelijk treden. De achtergebleven Lanseloet is intussen ziek van liefdesverdriet en beseft dat hij verkeerd heeft gehandeld. Hij stuurt zijn dienaar Reinout eropuit om zijn geliefde te zoeken. Als Reinout haar vindt, geeft Sanderijn te kennen dat ze niet van plan is voor wie dan ook haar echtgenoot te verlaten. Reinout doet het bij thuiskomst voorkomen alsof Sanderijn inmiddels gestorven is. Lanseloet begrijpt dat zijn kansen voor eeuwig verkeken zijn, en sterft van wroeging en liefdesverdriet.

Fragment waarin Sanderijn de jagende ridder in bedekte termen vertelt dat ze geen maagd meer is, gevolgd door de reactie van de ridder (vs. 484-517)
Sanderijn
Nu ga wi dan in dese warande,
Her ridder, spreken alluttelkijn,
Ende verstaet die redene mijn;
Dies biddic u, hoghe geboren baroen.
Ane siet desen boem scone ende groen,
Hoe wel dat hi ghebloyet staet.
Sinen edelen roke, hi doer gaet
Al omme desen bogaert al.
Hi staet in soe soeten dal,
Dat hi van rechte bloyen moet.
Hi es soe edel ende soe soet,
Dat hi versiert al desen bogaert.
Quaeme nu een valcke van hogher aert
Ghevloghen op desen boem ende daelde,
Ende ene bloeme daer af haelde,
Ende daer na nemmermeer neghene,
Noch noit en haelde meer dan ene,
Soudi den boem daer omme haten
Ende te copene daer omme laten?
Dat biddic u, dat ghi mi segt,
Ende die rechte waerheit sprect,
Edel ridder, in hovescher tale.
Sanderijn
Laat ons in deze tuin wat
met elkaar spreken, heer ridder,
en probeer mijn woorden te begrijpen,
dat verzoek ik u, hooggeboren edelman.
Kijk eens naar deze mooie, groene boom,
hoe mooi hij in bloei staat.
Zijn bijzondere geur verspreidt zich
tot in alle hoeken van deze hof.
Hij staat in zo'n lieflijke vallei
dat hij wel moet bloeien.
Hij is zo edel en zo geurig dat hij
een sieraad is voor de hele tuin.
Stel nu dat een edele valk
op deze boom neerstreek
en er een bloem af haalde
- daarna nooit meer een -
en het bij die ene bloem liet,
zou u die boom daarom misprijzen
En hem daarom laten omhakken?
Ik verzoek u, dat u me
naar waarheid antwoord geeft,
edele ridder, op hoofse wijze.
Die ridder
Scone wijf, ic versta u wale.
Ene bloeme dat en es niet,
En esser nemmeer toe ghesciet;
Daer omme en salic den boem niet haten
Noch te copene daer omme laten,
Want hi es soe scone ghedaen.
Ic sie daer op soe meneghe bloeme staen
Met groten hopen sonder ghetal,
Daer edel vrucht af comen sal,
Op dat god ghedoghen wille.
Nu ewelijc hier af een ghestille,
Ende comt met mi, wel scone wijf.
De ridder
Edele vrouwe, ik begrijp u goed.
Een enkele bloem, dat valt toch wel mee
als er verder niets aan mankeert?
Daar zou ik de boom niet om haten,
noch hem laten omhakken,
want hij ziet er zo fraai uit.
Ik zie zoveel bloemen aan de takken
- ze zijn werkelijk niet te tellen -
die vrucht zullen dragen,
indien God het wil.
Laten we er verder niet meer over praten
en kom met me mee, edele vrouwe.

Het fragment is een schoolvoorbeeld van hoofs taalgebruik. Sanderijn vertelt door middel van een uitgewerkte beeldspraak wat haar is overkomen. De ridder begrijpt de achterliggende boodschap en speelt het woordenspel mee. In scherp contrast daarmee staan de onhoofse woorden van Lanseloet, die Sanderijn - op aandringen van zijn moeder - na hun intiem samenzijn toevoegt zo zat van haar te zijn alsof hij zeven zijden spek heeft gegeten. Het zijn vooral de woorden van Lanseloet die Sanderijn dwarszitten. Het begin van alle narigheid is het standsverschil dat volgens middeleeuwers een huwelijk in de weg stond. Hoe het verhaal precies uitgelegd moet worden is maar de vraag. Nog altijd geeft Lanseloet van Denemerken aanleiding tot verschillende interpretaties: moet Lanseloet worden veroordeeld vanwege zijn onhoofse daad, of was hij het slachtoffer van de raad van zijn moeder? Soms lijkt het erop alsof de tekst mannen partij laat kiezen voor Lanseloet terwijl vrouwen zich meer vereenzelvigen met de gekwetste en misbruikte Sanderijn.

Lanseloet van Denemerken behoort tot de vroegste wereldlijke toneelstukken in Europa. Het staat in het handschrift-Van Hulthem (circa 1405), één van de beroemdste boeken uit onze streken, waarin het wordt aangeduid als ‘abel spel’. In datzelfde boek staan nog drie andere abele spelen. Elk abel spel - ook Lanseloet van Denemerken - wordt daar bovendien gevolgd door een klucht, een korte, komische ‘uitsmijter’. Dat het om toneel gaat blijkt duidelijk uit de inleidingen en uitleidingen, waarin het publiek wordt opgeroepen te komen kijken en waaruit naar voren komt dat de spelen binnen (op de zolder van een herberg?) werden opgevoerd.

Van de abele spelen is Lanseloet van Denemerken het bekendst gebleven. Het is eeuw na eeuw opgevoerd, bewerkt en uitgegeven, tot in onze tijd aan toe. Er zijn vele versies, waarvan de laatste in 1999 ontdekt werd. En aan het begin van de achttiende eeuw werd het bijvoorbeeld gespeeld in de Zeeuwse plaats 's-Gravenpolder. In het plaatselijke archief wordt de tekst nog altijd bewaard op afzonderlijke acteursrollen.

Verder lezen
Titelblad van de zogenaamde Goudse incunabel, die tussen 1486 en 1492 te Gouda gedrukt werkt. Er bestond nog maar één exemplaar van deze druk, en dat is in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Gelukkig was er in 1902 al een facsimile-editie van gemaakt.
FOKKE ende SUKKE