literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Reis van Sint Brandaan
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Reis van Sint Brandaan
auteur onbekend, ca. 1150 , Rijnland (Duitsland)

Brandaan, abt van een groot Iers klooster, leest in een oud boek allerlei dingen die hij niet kan geloven. Geïrriteerd werpt hij het boek in het vuur, maar dan verschijnt een engel die hem opdraagt per schip een reis te ondernemen om de waarheid te achterhalen. Er volgen negen jaren waarin Brandaan en zijn medebroeders de wereldzeeën bevaren. Tijdens de gevaarlijke en avontuurlijke reis vallen ze van de ene verbazing in de andere: een vis met een eiland op de rug, een aards paradijs, de verrader Judas die af en toe verlichting krijgt van de helse pijnen die hij moet ondergaan… Brandaan raakt er stilaan van doordrongen dat Gods schepping in het geheel niet te doorgronden is en dat Hij sneller bereid is tot genade dan men ooit zou kunnen bevroeden. Als na negen jaar blijkt dat het logboek waarin de avonturen werden opgetekend, reeds volledig is gevuld, laat Brandaan zijn schip terugkeren naar Ierland. Hij draagt het boek op aan God en sterft kort nadien. Het is de aartsengel Michael die zijn ziel komt ophalen: een uitzonderlijke eer voor een uitzonderlijke heilige.

Fragment waarin Brandaan dingen leest die hij niet kan geloven (vs. 30-57):
- Hoert! Hier moghedi leeren
Van den goeden Gods wijse -
Hoe dat twee paradijse
Boven der eerden waren.
Doe las hi voert te waren,
Van vele wonders datmer in vant
Ende menich groet eylant.
Oec las de wijse heere,
Hoe dat eene weerelt weere
Hier onder dese eerde,
Ende alst hier dach werde,
Dat daer dan nacht zye.
Hi las dat hemele waren drie.
Van visschen hi ghescreven vant
Hoe dat een wout ende een lant
Ghewassen stont up zine zwaerde.
Dat wederseidi aerde
Om datso onghelovich was.
Oec las hi hoe dat Judas
Gheniette Gods ontfaermichede
Ende hi ghenade hadde mede
Alle sondaghes nachte.
Hi en wilde no hi en mochte
Dies emmer niet gheloven,
Hi en saecht met zinen oghen.
Van toerne verberrendi den bouc
Ende gaf den scrivere eenen vlouc.
Dat becochti zint wel diere!
- Hoor, mensen! Hier kunt u leren
uit de reis van die wijze! –
dat er twee paradijzen
op de aarde waren.
Hij las van wonderbare
dingen in dat verband
en van menig groot eiland.
Ook heeft de wijze heer gelezen
dat er een wereld zou wezen
die onder deze aarde lag,
en werd het hier dag,
dan zou daar telkens het duister komen.
Van de drie hemelen heeft hij vernomen
en dat er een soort van vis bestond
waarop een bos op vaste grond
gegroeid was, boven op zijn rug.
Maar dit ontkende Brandaan stug,
omdat het zo ongeloofwaardig was.
Ook las hij nog hoe Judas
deel had aan Gods barmhartigheid
en hoe hem troost werd toebereid
op alle zaterdagnachten.
Brandaan, hij was niet bij machte
om zoiets ooit maar te geloven
als hij ’t niet zag met eigen ogen.
Uit woede verbrandde hij het boek
en hij heeft wie het schreef vervloekt.
Dat bekocht hij sindsdien duur!
(vertaling Willem Wilmink)

Brandaan heeft werkelijk bestaan. In de 6de eeuw stichtte hij in Ierland enkele kloosters en hij stond bekend als zeevaarder. In de loop der tijd raakte zijn levensverhaal evenwel losgezongen van de werkelijkheid. In een tekst uit de 9de of 10de eeuw - de Navigatio Sancti Brendani abbatis - wordt beschreven hoe Brandaan met zijn monniken op zoek gaat naar een paradijselijk eiland. Deze Latijnse beschrijving was bedoeld voor monniken die de reis konden opvatten als een metafoor van de moeizame mentale ontwikkeling die elke kloosterling in zijn leven zal moeten doormaken.

In de twaalfde eeuw kreeg het verhaal over de reizende abt een nieuwe betekenis. De volkstalige Reis van Sint Brandaan moest bij een werelds publiek ontzag wekken voor Gods schepping en tegelijkertijd doen voelen dat de ergste zondaars nog altijd kunnen hopen op genade van God. De tekst past in de destijds gevoerde discussie over het hiernamaals. Er had altijd een scherpe tweedeling bestaan tussen hemel en hel: wie doodging was verdoemd of uitverkoren, een tussenweg bestond niet. Vanaf de twaalfde eeuw geloofde men dat het anders zat: alleen de door en door slechte mensen gingen rechtstreeks naar de hel. Iedereen die wel eens fouten had gemaakt in zijn leven, maar niet zo erg dat hij de hel verdiende, kwam na zijn dood terecht in het vagevuur. Daar werd zijn ziel gezuiverd door zelf boete te doen en door het gebed van de mensen op aarde. Zo bleef er hoop om bij het laatste oordeel, aan het einde der tijden, toegang te krijgen tot de hemel.

De Reis van Sint Brandaan kwam tot stand in het 12de-eeuwse Rijnland, in het tegenwoordige Duitsland. Het werd geschreven in een dialect dat zowel overeenkomsten vertoont met het Nederlands als met het Duits. De tekst raakte vervolgens in beide taalgebieden verspreid. De Nederlandse versie werd onder meer opgenomen in het handschrift-Van Hulthem. Dat het avontuurlijke reisverhaal nog altijd tot de verbeelding spreekt blijkt uit het boek Anderland van Paul Biegel (1990).

Verder lezen
Brandaan is met zijn bootje geland op een vis. Pentekening uit een handschrift met een Duitse prozaversie van de Reis.