literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Historielied over Graaf Floris en Gerard van Velsen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Historielied over Graaf Floris en Gerard van Velsen
auteur onbekend, omstreeks 1320 , Holland

De Brabantse priester Lodewijk van Velthem wist in het vijfde deel van de Spiegel historiael (voltooid in 1316) precies te vertellen waarom de Hollandse graaf Floris V in 1296 door een groep edelen werd vermoord: er was een vrouw in het spel geweest. Veel meer zegt hij helaas niet. Tegenwoordig worden er andere verklaringen gegeven voor de moord op de graaf. In het internationale machtsspel van de late dertiende eeuw had Floris vrij onverwachts de kant van de Franse koning gekozen, terwijl hij altijd een bondgenoot van Engeland was geweest. Zijn zoon Jan die hem op den duur zou opvolgen werd nota bene opgevoed aan het Engelse hof. Een aantal Hollandse en Utrechtse edelen spande samen met de Engelse vorst om de graaf gevangen te nemen en naar Engeland te ontvoeren.

Tijdens een valkenjacht wordt graaf Floris onverwachts overmeesterd en naar het Muiderslot gebracht. De inwoners van het graafschap krijgen echter lucht van de kwade opzet en omsingelen het kasteel. De edelen gaan er vandoor met hun levende buit, maar in de buurt van Naarden gaat het mis: ze lopen in een hinderlaag (een groepje eenvoudige lieden heeft zich in het hoge koren verstopt) en er breekt paniek uit. Voordat iemand het in de gaten heeft, vermoordt Gerard van Velsen de graaf met ruim twintig steken. Had Gerard van Velsen een persoonlijk motief voor deze afrekening? De officiële geschiedenisboeken uit die tijd vertellen er niets over, maar wel wordt spoedig een liedje gezongen waarin verteld wordt dat graaf Floris de vrouw van Gerard van Velsen heeft verkracht. Had Lodewijk van Velthem dus gelijk toen hij zei dat er een vrouw in het spel was?

De eerste 8 coupletten uitgevoerd door Camerata Trajectina
De tekst van het historielied over graaf Floris en Gerard van Velsen.
Wie wil horen een nieu liet,
Hoort toe, ick salt u singen,
Hoe Geeraert van Velsen graef Floris verriet,
't Syn also wonderlijke dinghen.
Wie wil een nieuw lied horen,
luister, ik zal het voor u zingen,
hoe Gerard van Velsen graaf Floris verried,
het is een opzienbarende geschiedenis.
Graef Floris tot Geraert van Velsen sprak:
‘Gheraert van Velsen, ghy moet hijlicken
Al an een weeuwtgen heeft ghoets ghenoech,
En sy is also suyverlijke.’
Graaf Floris sprak tot Gerard van Velsen:
‘Gerard van Velsen, u moet in het huwelijk treden
met een weduwe; ze is rijk genoeg
en fatsoenlijk bovendien.’
‘Die schand en schieter mijn nemmermeer,’
Sprack Geraert van Velsen tot synen lantsheer,
‘Eer ghy my sout brengen in sulk verdriet,
U ouwe versleten schoenen en wil ick niet.’
‘Die schande zal mij nooit gebeuren,’
zei Gerard van Velsen tot zijn landsheer,
‘dat u mij een dergelijk leed zou aandoen,
ik hoef uw oude, versleten schoenen niet.’
‘Gheraert van Velsen myn lieve neef,
Had ghy die woortgens wat beter beleydt,
Al had ghy by u ridders hals ghesworen,
Ghy sultse draghen ist u lief of leydt.’
‘Gerard van Velsen, mijn beste vriend,
u had wat beter op uw woorden moeten passen,
al had u uw leven op het spel gezet,
u zult ze (die schoenen) dragen, of u wilt of niet.’
Een korte wijl en was daer niet lang,
Geraert van Velsen ging een huysvrou trouwen.
Graef Floris schreef Geraert van Velsen eenen brief,
Dat hi tot hem komen soude.
Kort daarna
trad Gerard van Velsen in het huwelijk.
Graaf Floris schreef Gerard van Velsen een brief
waarin hij hem opdroeg bij hem te komen.
Gheraert van Velsen dorst het laten niet,
Hy deed dat syn lantsheer hem riet,
Hy reed an gheen landsdouwe.
Dewijl sliep die graef al van Hollandt, by syne over schoone vrouwe.
Gerard van Velsen durfde het niet te weigeren,
hij deed wat zijn landsheer hem opdroeg
en begaf zich naar gindse landstreek.
Intussen sliep de graaf van Holland bij Gerards bijzonder mooie vrouw.
Sy riep so luyt: ‘Kraft en ghewelt,
Wat doet ghy mijn edele landsheere?
Wasser een ander op mijn ghestelt,
Ghy soudt hem met u swaert af keeren.’
Zij riep luid: ‘Verkrachting en geweld,
wat doet u nu, mijn edele landsheer?
Als iemand anders mij zo behandelde,
zou u hem met uw zwaard verdrijven.’
Krijten en karmen mocht haer baten niet.
Haer eer most sy daer laten.
Doe hy syn willetgen hadde ghedaen,
Doe reed hy t' Uytert al inde baen.
Huilen en kermen mochten haar niet baten,
haar eer verloor ze bij die gelegenheid.
Toen hij zijn wil had gedaan,
begaf hij zich op weg naar Utrecht.
Gheraert van Velsen had een soete lief,
Van Woerden tot eenen wyve,
Daer meenden hy me vrolik te syn,
Maer t' most den graef syn boeltgen blijven.
Gerard van Velsen had een knappe beminde
van Woerden als echtgenote,
daar hoopte hij gelukkig mee te zijn,
maar zij werd het liefje van de graaf.
Doen Geraert van Velsen weder thuyswaert quam,
Daer hi syn liefgen plach te groeten,
‘Wat isser mijn weerde vroutgen gheschiet,
Dat sy my niet en komt te moete?’
Toen kwam Gerard van Velsen weer thuis,
waar hij gewend was zijn beminde te begroeten.
‘Wat is er met mijn lieve vrouw gebeurd,
dat ze me niet tegemoet komt?’
Geraert van Velsen op de kamer quam,
Hy vandt syn soete lief in rouwe.
‘Heeft u yemant leydt ghedaen,
Segt my, wel over schoone vrouwe.’
Gerard van Velsen betrad het slaapvertrek
en trof zijn beminde aan in diepe rouw.
‘Heeft iemand u verdriet gedaan,
zeg het mij, zeer schone vrouwe.’
‘Geraert van Velsen mijn lieve man,
Nu isset al verloren,
Te slapen aen u groene sy:
Graef Floris heeft mijn eer ghenomen.’
‘Gerard van Velsen, mijn beminde echtgenoot,
Nu is alles verloren,
ik kan niet langer aan uw zijde liggen:
graaf Floris heeft me van mijn eer beroofd.’
‘Dat hy u eertgen benomen heeft,
Dat is u soete lief al vergheven.
Gister was hy mijn heer, nu ben ick de syn,
Dat sal hem kosten syn leven.’
‘Dat hij u van uw eer heeft beroofd,
dat wordt u, teerbeminde, geheel vergeven.
Gisteren was hij mijn heer, nu ben ik de zijne,
dat zal hem zijn leven kosten.’
Hy setten eenen valk op synen handt,
Of hy spatseeren soude rijden,
Hy dede een sprong van eenen haes,
Of hy graef Floris sou ontlijven.
Hij plaatste een valk op zijn hand,
alsof hij zich in het vrije veld ging vermeien,
hij maakte een sprong als een haas,
alsof hij graaf Floris wilde ombrengen.
‘Och Geraert van Velsen, mijn lieve neef,
Wout ghy my leven laten,
Ick salder van uwen bastertdochter,
Een gravin van Hollandt maken.’
‘Och Gerard van Velsen, mijn beste vriend,
als u me in leven laat
dan zal ik van uw bastaarddochter (door haar te trouwen)
een gravin van Holland maken.’
‘Dat en doe ick nu noch nimmermeer.
Ken wilse gheen verrader gheven.
Ghy hebter mijn huysvrou haer eer benomen,
Dat sal u kosten u leven.
‘Dat doe ik nooit ofte nimmer.
Ik zal haar nooit aan een verrader geven.
U hebt mijn echtgenote van haar eer beroofd,
dat zal u het leven kosten.
Dat ghy mijn broeder hebt vermoort,
Dat had ick u al vergheven.
Nu hebt ghy myn huysvrou haer eer benomen,
Dat sal u kosten u leven.’
Dat u mijn broer de dood in heeft gejaagd,
dat had ik u reeds vergeven.
Nu hebt u mijn gemalin haar eer ontnomen,
dat zal u het leven kosten.’
Hy wurp hem een paer handscoen voor syn mont,
Op dat hy niet en soude luyden.
Hy voerde hem vant huys te Kronenburch,
Al op dat hooghe huys te Muyden.
Hij bond hem een paar handschoenen voor zijn mond,
zodat hij geen gerucht zou maken.
Hij voerde hem van kasteel Kronenburch
naar het hoge slot te Muiden.
Snachts omtrent de middernacht,
Omtrent ter halver nachte,
Doe lach die edele graef al van Hollandt,
Ghesloten in boeyen also vaste.
's Nachts rond de klok van twaalven,
in het holst van de nacht,
lag de edele graaf van Holland
vast in de boeien geslagen.
Smorghens doen het was schoon dach,
De heren souden daer wat eten,
Doe dacht die graef al van Hollandt:
‘Rijck Godt, nu ben ick al vergheten.’
Toen de dag 's ochtends stralend begon,
de edelen zouden daar iets eten,
toen dacht de Hollandse graaf:
‘Almachtig God, nu heeft men mij vergeten.’
Sy brochten hem daer een stuk berespek,
Syn swynenspeck was onghebraden,
Doe dacht die graef al van Hollandt:
‘Rijck Godt, nu ben ick al verraden.
Zij brachten hem toen een stuk varkensspek,
zijn zwijnenspek was rauw,
toen dacht de Hollandse graaf:
‘Almachtig God, nu word ik te gronde gericht.
En had ick een schiltknecht goet,
Die my verloste van den bloede,
Ick sou hem schencken mijn bruyne schilt,
Met mijnen yzeren hoede.’
Als ik nu een goede schildknaap had
die mijn wonden zou verzorgen,
dan zou ik hem mijn gepolijste schild
en mijn stalen helm schenken.’
Geraert van Velsen was rat ter hant.
Hy greep een becken van de want,
Hy wies graef Floris van den bloede.
‘Segt my, o graef al van Hollant, hoe is u nu te moede?’
Gerard van Velsen schoot snel toe.
Hij greep een waskom van de muur
en waste het bloed van graaf Floris af.
‘O graaf van Holland, vertel me hoe u zich thans voelt.’
‘Hoe my nu te moede is:
En ick moet immers sterven.
Had icker een wijf met een kint,
Die ick mijn groote goet mocht erven.
‘Hoe ik me nu voel:
ik moet immers sterven.
Had ik maar een vrouw met een kind
aan wie ik mijn rijke bezittingen kon nalaten.
Ick heb noch wel een soon heer Jan,
Hy is soo ver in vreemde landt,
Hy kander syn goet regieren niet:
Dus leydt myn hert in groot verdriet.
Ik heb nog wel een zoon, heer Jan,
hij bevindt zich ver weg in een ander land,
hij kan echter niet heersen over zijn bezit:
mijn hart is daarom in groot verdriet gedompeld.
En daer is mijn een bastert soon,
Hy is so jonck van weken,
Al quam hy noch over hondert jaer,
Syns vaders doot sal hy wel wreken.’
En dan is er mijn ene bastaardzoon,
hij is nog zo jong,
al zou het nog honderd jaar duren,
die zal de dood van zijn vader wreken.’
Een korte wijl en was daer niet lang,
Gheraert van Velsen wert daer ghevangen,
Hy dochte soo dick by syner eer,
‘Rijck Godt, nu moet ick immers hangen.’
Het duurde niet lang
of Gerard van Velsen werd gevangen genomen,
Heel vaak dacht hij bij zichzelf:
‘Almachtig God, nu ben ik degene die hangt.’
Hangen en was hem noch niet goet genoech,
Hy moest wel sevenwerf meer lijden.
Sy deden een vat vol spijkers slaen,
Daer moest syn edeldom in zijghen.
Ophanging achtte men een te milde straf,
hij moest minstens zeven keer zwaarder lijden.
Men liet een vat vol spijkers slaan,
daar liet men hem in zakken.
Sy rolden hem daer drie daghen lanck,
Drie daghen voor den noene.
‘Gheraert van Velsen, wel lieve man,
Hoe is u nu te moede?’
Zij rolden hem daar drie dagen lang in het rond,
drie dagen voor de middag.
‘Gerard van Velsen, beste man,
hoe voelt u zich thans?’
‘Hoe my nu te moede is,
Dat sal ick u wel seggen:
Ick ben noch de selfde man,
Die graef Floris syn leven nam.’
‘Hoe ik me nu voel,
dat zal ik u zeggen:
ik ben nog steeds dezelfde man
die graaf Floris van het leven beroofde.’

Het vroegste boek waarin dit lied is afgedrukt, stamt uit 1591. Maar er is een goede kans dat de tekst zelf veel ouder is. Vermoedelijk werd het lied in de vroege veertiende eeuw - dus niet zo lang na de moord - al gezongen. Het populaire lied inspireerde ook latere dichters, want er zijn op dezelfde muziek diverse bewerkingen ontstaan. Dat gebeurde omstreeks 1400, 1500, 1600 en 1700. Het lied werd opgenomen in diverse gedrukte liedbundels, en in de zeventiende eeuw werd het - met een paar andere liederen - op een gevouwen blad los verkocht op de hoek van de straat. Het verhaal van de verkrachting werd zo populair dat vanaf de vijftiende eeuw zelfs officiële kronieken er melding van maken. Op den duur werden er prenten gemaakt van scenes uit het lied en er verschenen toneelstukken. P.C. Hoofts Geeraerdt van Velsen (1613) is daarvan het beroemdste. Graaf Floris V is door dit alles uitgegroeid tot de beroemdste Hollandse graaf uit de Middeleeuwen. Tegenwoordig staat hij zelfs in het Nederlandse paspoort afgebeeld.

Verder lezen
Schoolplaat van J.H. Isings met de aanhouding van graaf Floris V.