literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Hildebrandslied (Duits)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Hildebrandslied (Duits)
auteur onbekend, ca. 800 , Zuid-Duitsland

Vader Hildebrand en zijn zoon Hadubrand, de beide hoofdpersonen in het Hildebrandslied, staan tegenover elkaar temidden van hun legers. Vertwijfeld poogt de vader zijn zoon ervan te overtuigen dat hij op het punt staat te gaan strijden met zijn bloedeigen vader. Maar de achterdochtige Hadubrand wijst iedere toenadering af. Van zeevaarders heeft hij gehoord dat zijn vader lang geleden gestorven is; bovendien vreest hij dat de handreiking van zijn tegenstrever een valstrik is, bedoeld om hem op makkelijke manier te doden. Hildebrand doet een verzoeningspoging en biedt zijn zoon zijn gouden armbanden aan. Hadubrand wijst het geschenk af met de opmerking dat je geschenken gewapenderhand in ontvangst moet nemen; het gevecht begint.

Het lied is bewaard als fragment waaraan het slot ontbreekt. Toch weten we uit andere bronnen dat het tragisch afloopt: Hadubrand wordt gedood door zijn eigen vader.

Hildebrand en Hadubrand staan tegenover elkaar. Hildebrand doet een verzoeningspoging, maar zijn zoon wijst dit af, niet wetend dat zijn vader voor hem staat. Het gevecht is nu onvermijdelijk.
Hadubrant gimahalta, Hiltibrantes sunu:
‘mit geru scal man geba infahan,
ort widar orte. (...)
du bist dir alter Hun ummet spaher,
spenis mih mit dinem wortun, wili mih dinu speru werpan.
pist also gialtet man, so du ewin inwit fortos.
dat sagetun mi seolidante
westar ubar wentilseo, dat inan wic furnam:
tot ist Hiltibrant, Heribrantes suno’.
Hiltibrant gimahalta, Heribrantes suno:
‘wela gisihu ih in dinem hrustim,
dat du habes heme herron goten,
dat du noh bi desemo riche reccheo ni wurti’.
‘welaga nu, waltant got [quad Hiltibrant], wewurt skihit.
ih wallota sumaro enti wintro sehstic ur lante,
dar man mih eo scerita in folc sceotantero:
so man mir at burc enigeru banun ni gifasta,
nu scal mih suasat chind suertu hauwan,
breton mit siniu billiu, eddo ih imo ti banin werdan.
doh maht du nu aodlihho, ibu dir din ellen taoc,
in sus heremo man hrusti giwinnan,
rauba birahanen, ibu du dar enic reht habes’.
‘der si doh nu argosto [quad Hiltibrant] ostarliuto,
der dir nu wiges warne, nu dih es so wel lustit,
gudea gimeinun; niuse de motti,
hwerdar sih hiutu dero hregilo rumen muotti,
erdo desero brunnono bedero waltan’.
do lettun se aerist asckim scritan,
scarpen scurim: dat in dem sciltim stont.
do stoptun to samane staim bort chludun,
heuwun harmlicco huitte scilti
unti imo iro lintun luttilo wurtun,
giwigan miti wabnum ...
Hadubrand sprak, Hildebrands zoon:
‘met de speer moet men gaven ontvangen,
speerpunt tegen speerpunt (...)
Jij bent een oude Hun, enorm sluw,
je lokt me met je woorden, wilt je speer naar me werpen.
Je bent een zo oude man geworden, (door)dat je altijd bedrog pleegde.
Dat zeiden me zeevaarders
vanuit het westen over de Wereldzee (komend), dat strijd hem wegnam:
dood is Hildebrand, de zoon van Heribrand.’
Hildebrand sprak, Heribrands zoon:
‘Goed zie ik aan je harnas
dat je thuis een rijke heer hebt,
dat je uit dit rijk nog nooit verdreven werd.’
‘Ach, almachtige God [sprak Hildebrand], onheil geschiedt.
Ik zwierf zestig zomers en winters in vreemde landen,
waar men mij altijd schaarde onder het strijdvolk:
Terwijl men mij bij geen enkele vesting kon doden
moet nu mijn eigen kind me met zijn zwaard vellen,
neerslaan met zijn wapen, of ik moet zijn moordenaar worden.
Je kunt nu gemakkelijk, als je kracht het toelaat,
van een zo oude man het harnas veroveren,
buit bemachtigen, als je daarop enig recht hebt.’
‘Diegene [sprak Hildebrand] zou de lafste van de Oostlieden zijn,
die je nu de strijd zou weigeren, nu je zo verlangt
naar een duel; dat moet uitwijzen,
wie van ons beiden vandaag zijn wapenrusting moet ruimen,
of deze beide harnassen zal bezitten’.
Toen lieten ze eerst de lansen van essenhout schrijden,
met scherp geschut dat in de schilden bleef steken.
Toen stootten ze op elkaar, de schilden weerklonken,
ze sloegen angstwekkend in op blinkende schilden,
tot hun lindenhouten schilden klein geworden waren,
gekliefd door de wapens ....

Ten tijde van de Volksverhuizing (375-500 na Christus) was er onder de rondtrekkende Germaanse stammen een verhaal in omloop over een vader en een zoon die als aanvoerders van twee vijandelijke legers de strijd met elkaar aanbinden. Vaak traden, om een massaal bloedvergieten te voorkomen, uitsluitend de legeraanvoerders tegen elkaar in het krijt. In veel gevallen gaf het leger van de overwonnen aanvoerder zich over. In het Hildebrandslied staat dit tweegevecht, en de daaraan voorafgaande dialoog tussen vader en zoon, centraal. In dit gevecht doodt de vader zijn eigen zoon. Tegen het einde van de Volksverhuizing hebben de Germaanse stammen hun definitieve plaats in Europa ingenomen en knoopt men aan bestaande verhalen meer actuele gebeurtenissen vast. Een beroemd voorbeeld van zo'n verbinding van verhaaltraditie en actualiteit is het Hildebrandslied. Het is een van de oudste literaire teksten in het Duits. De tragedie van vader en zoon wordt hier verbonden met de strijd om de macht in Italië tussen Odoaker en de Oost-Gotische legeraanvoerder Theoderik (488-493).

Het Hildebrandslied behoort tot het genre van het heldenlied. Het begint met de woorden van de verteller die meedeelt wat hij van anderen heeft gehoord:

Ik gihorta dat seggen dat sih urhettun aenon muotin
Hiltibrant enti Hadubrant untar heriun tuem
Ik hoorde zeggen, dat uitdagers elkaar geheel alleen ontmoetten,
Hildebrand en Hadubrand, tussen twee legers.

Zulke beginverzen, waarin de verteller zich uitdrukkelijk beroept op berichten van derden, zijn gebruikelijk in middeleeuwse verhalende literatuur. Ze moeten het publiek ervan overtuigen, dat wat verteld wordt, werkelijk waar en belangrijk is.

Heldenliederen zijn vrij korte, oorspronkelijk gezongen en mondeling overgeleverde teksten, die berichten over de strijd van goden en helden. In dit geval gaat het dus om de strijd van twee onbekende helden uit de tijd van de Volksverhuizing, terwijl op de achtergrond grote historische namen als Theoderik (Diederik van Bern), Odoaker en Atilla meespelen. Meestal heeft zo'n verhaal een dramatisch verloop: de oplossing van een conflictsituatie (vader en zoon staan vijandig tegenover elkaar) lijkt nabij, maar blijft uit door noodlottige verblinding van een der partijen (de zoon denkt dat zijn vader dood is; hij vermoedt een valstrik). De afloop is tragisch: de vader doodt zijn eigen zoon, waarmee hij onbedoeld ook een eind maakt aan zijn eigen geslacht.

Samen met de langere heldenepen (bijvoorbeeld het Middel-Hoogduitse Nibelungenlied van omstreeks 1200) vormen de heldenliederen in de Duitse literatuur van de Middeleeuwen het genre heldendicht. Kenmerkend voor het heldenlied is, afgezien van de episch-tragische inhoud, de vorm.

Het 1200 jaar oude fragment waarop het begin van het Hildebrandslied staat.