literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Der naturen bloeme
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Der naturen bloeme
Jacob van Maerlant, ca. 1270 , Vlaanderen

Rond 1270 schreef Jacob van Maerlant Der naturen bloeme, een titel die je zou kunnen vertalen als: Het mooiste uit de natuur. In dertien boeken (hoofdstukken), samen ruim 16.500 versregels, vertelt Maerlant achtereenvolgens over de mens, viervoetige dieren, vogels, zeemonsters, vissen, slangen, insecten, gewone bomen en specerijbomen, geneeskrachtige kruiden, vermaarde bronnen, waardevolle stenen en metalen. Ook wat wij tegenwoordig zouden betitelen als ‘dode natuur’ komt dus aan bod.

Jacob van Maerlant maakte in veel van zijn werken gebruik van gezaghebbende wetenschappelijke werken. Zo deed hij dat ook in Der naturen bloeme. De wetenswaardigheden die hij ons voorschotelt, heeft hij voor het grootste deel niet zelf verzonnen, maar bijeengesprokkeld uit geleerde boeken. De belangrijkste bron voor Maerlants werk over de natuur was De natura rerum (Over de aard van de dingen), van de geleerde Thomas van Cantimpré, die het schreef tussen 1225 en 1241.

Maerlant begint zijn werk met de mens: de bekroning van de natuur. Daarbij heeft hij het uitgebreid over de verschillende wonderbaarlijke volkeren die (volgens zijn bronnen) de aarde bevolken. Een bonte stoet trekt aan ons voorbij. Zo bestaan er mensen die hun ouders doden, wanneer die op hoge leeftijd zijn gekomen, en vervolgens opeten. ‘'Dat is daar een goede gewoonte’, aldus Maerlant, ‘als je dat nalaat, doe je het fout!’ Er bestaan reuzen en dwergen, mensen die rauwe vis eten en zeewater drinken, mensen die aan iedere voet maar vier tenen hebben, vrouwen die kinderen met grijs haar baren, dat zwart wordt als ze ouder worden, en nog veel meer.

In het eerste boek van Der naturen bloeme worden volkeren beschreven die er heel wonderlijk uitzien.
Als ons sente Jeronimus leert,
So esser erehande volc gevonden
Gehovet gelijc den honden,
Met crommen clauwen ende met langhen,
Ende met beesten vellen behanghen,
Ende voer haer spreken bassen.
Ander volc es daer gewassen:
So clene monde hebben die liede,
Dat si met enen clenen riede
Insuken moeten daer si bi leven.
Ander volc es daer neven,
Die mensche eten, als wijt horen.
Dese volgen den lieden bi sporen,
Bi der roeke, dats haer maniere,
Tote dat si comen tere riviere.
Ander liede sijn daer bi,
Die heten Arimaspi,
Jof Ciclopen in Latijn,
Die maer met enen oghe sijn,
Ende staet hem voer thoeft voeren.
Ander volc es daer geboeren,
Die lopen utermaten sere
Met enen voete ende niet mere;
Nochtan es die voet so breet,
Dat si jeghen die sonne heet
Hem bescermen daer mede,
Waer dat si rusten in enighe stede.
Zoals de heilige Jeronimus ons leert,
bestaat er een bepaald volk
dat een hoofd heeft als een hond;
ze hebben lange, kromme klauwen
en dragen dierenvellen.
In plaats van te spreken blaffen ze.
Er leeft een ander volk:
die mensen hebben zulke kleine monden
dat ze alles waarvan ze leven
door een rietje naar binnen moeten zuigen.
Daar in de buurt woont nog een volk,
dat mensen eet, naar wij vernomen hebben.
Ze hebben de gewoonte het spoor van een mens
met hun neus te volgen,
totdat ze bij een rivier komen.
Er bestaan ook mensen
die Arimaspi heten,
of cyclopen in het Latijn.
Die hebben maar één oog
en dat zit midden op hun voorhoofd.
Er leeft een volk
dat heel hard kan lopen,
met maar één enkele voet!
Maar die voet is zo groot
dat die mensen zich ermee
tegen de felle zon beschermen,
als ze ergens zitten uit te rusten.

De verhalen die Maerlant ons opdist, komen ons nogal eens ongelooflijk voor. Toch gold dit in de dertiende eeuw als serieuze wetenschap. Het Middelnederlandse werk sluit aan bij een wetenschappelijke traditie die al eeuwen oud was. Ze vond haar oorsprong in de ideeën van de Griekse filosoof Aristoteles en in de geschriften van kerkvaders en andere gezaghebbende auteurs uit de Oudheid en de Middeleeuwen.

De wonderbaarlijke volkeren uit het fragment, worden in veel middeleeuwse boeken beschreven. Ze leefden in het verre onbekende Oosten, aan de rand van het aardse paradijs waar Adam en Eva gewoond hebben. De ontdekkingsreiziger Marco Polo spreekt ervan, net als Jan van Mandeville in zijn gefantaseerde reisverhaal. En ook een zekere ‘pape Jan’ die een wonderbaarlijk rijk beschrijft, heeft het over deze volkeren. Tot in onze tijd hebben de wondervolkeren, waarover onder andere Jacob van Maerlant schrijft, hun aantrekkingskracht behouden. In Baudolino, geschreven door Umberto Eco, gaat het herhaaldelijk over pape Jan en zijn rijk, en de hoofdpersoon in dit boek ontmoet die wonderbaarlijke wereldbewoners tijdens zijn reizen in levenden lijve.

Verder lezen
Er bestaan volkeren met maar één voet die ze omhoog steken om zich tegen de zon te beschermen en er zijn ook volkeren die geen hoofd hebben maar ogen in hun schouders. In Der naturen bloeme worden ze beschreven en zijn ze afgebeeld.