literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Stabat mater dolorosa/De moeder stond door smart bevangen (Latijn)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Stabat mater dolorosa/De moeder stond door smart bevangen (Latijn)
auteur onbekend, 13e eeuw , Italië of Frankrijk

Het ‘Stabat mater’ is een van de beroemdste Latijnse gebeden die uit de Middeleeuwen zijn overgeleverd. Als gebed kreeg de tekst al sinds de veertiende eeuw een grote verspreiding; in de vijftiende eeuw werd het als sequentia in de misliturgie opgenomen. Het gedicht is talloze malen vertaald, in alle talen van Europa, en werd door vele componisten op muziek gezet (weergaloos is het ‘Stabat mater’ van Pergolesi). Wie de dichter is geweest, is onbekend; een toeschrijving aan de franciscaan Jacopone da Todi (circa 1230-1306) is al sinds lang verlaten. Vermoed wordt dat de oudste versie in de dertiende eeuw in Frankrijk of Italië is ontstaan, wellicht in een franciscaans milieu, maar zekerheid hieromtrent heeft men niet. Met minder aarzeling neemt men aan dat de tekst oorspronkelijk bedoeld is geweest voor persoonlijke meditatie.

Onder meditatie verstaat men in dit verband een techniek van bewuste concentratie van gedachten en gevoelens op één religieus onderwerp, bijvoorbeeld het lijden van Christus of het verdriet van Maria. Door zich met grote intensiteit in het bijbelse relaas (of een weergave daarvan in woorden of beelden) te verdiepen, verplaatste de mediterende vrome zich in de beschreven situatie, werd hij in zijn fantasie als getuige, en zelfs als deelnemer, opgenomen in het gebeuren.

Stabat mater dolorosa
Iuxta crucem lacrimosa,
Dum pendebat filius;
De moeder stond door smart bevangen
en met tranen langs haar wangen
waar haar zoon gekruisigd hing
Cuius animam gementem,
Contristantem et dolentem
Pertransivit gladius.
en het was haar in haar lijden
of een zwaard haar kwam doorsnijden
dat dwars door het hart heen ging.
O quam tristis et afflicta
Fuit illa benedicta
Mater unigeniti!
Hoe verdrietig en verloren
was de toch zo uitverkoren
moeder die hem 't leven gaf.
Quae maerebat et dolebat
Et tremebat, cum videbat
Nati poenas incliti.
Ze moest klagen, ze moest rouwen
en ze beefde bij 't aanschouwen
van zijn vreselijke straf.
Quis est homo, qui non fleret,
Matrem Christi si videret
In tanto supplicio?
Wie voelt er geen tranen komen,
die daarheen wordt meegenomen,
waar hij Christus' moeder vindt?
Quis non posset contristari,
Piam matrem contemplari
Dolentem cum filio?
Wie zou tranen binnenhouden
als hij dat verdriet aanschouwde
van de moeder bij haar kind?
Pro peccatis suae gentis
Iesum vidit in tormentis
Et flagellis subditum,
Zij zag wat hij heeft geleden
voor het kwaad dat mensen deden,
zag de zwepen, zag het slaan,
Vidit suum dulcem natum
Morientem, desolatum,
Cum emisit spiritum.
hoorde 't kind, door haar gedragen,
stervende om bijstand vragen,
zag hoe hij is doodgegaan.
Eia, mater, fons amoris,
Me sentire vim doloris
Fac, ut tecum lugeam;
Vrouw van liefde en genade,
wil toch op mijn schouders laden
alles wat u lijden doet.
Fac, ut ardeat cor meum
In amando Christum Deum,
Ut sibi complaceam.
'k Wil mijn hart aan hem verpanden,
laat mij dan van liefde branden
opdat ik hem zo ontmoet.
Sancta mater, illud agas,
Crucifixi fige plagas
Cordi meo valide;
Moeder, wil mijn hart bezeren
met de wonden die hem deren,
die zo nederig wilde zijn
Tui nati vulnerati,
Iam dignati pro me pati
Poenas mecum divide.
om te lijden voor mijn zonden.
Laat mij lijden aan zijn wonden,
laat mij delen in de pijn.
Fac me vere tecum flere,
Crucifixo condolere,
Donec ego vixero.
Laat mij huilen aan uw zijde,
laat het kruis ook mij doen lijden
tot ik zelf eens doodgaan moet:
Iuxta crucem tecum stare,
Te libenter sociare
In planctu desidero.
'k wil mij naar het kruis begeven
om daar met u mee te leven
in wat hem zo lijden doet.
Virgo virginum praeclara,
Mihi iam non sis amara,
Fac me tecum plangere,
Stralende, ik moet u eren,
wil u toch niet vàn mij keren,
laat mij huilend bij u staan.
Fac, ut portem Christi mortem
Passionis eius sortem
Et plagas recolere.
Laat mij Christus' dood ervaren,
laat mij in mijn hart bewaren
al wat hem is aangedaan.
Fac me plagis vulnerari,
Cruce hac inebriari
Ob amorem filii;
Laat zijn pijnen mij genaken,
laat het kruis mij dronken maken
van de liefde voor uw zoon
Inflammatus et accensus
Per te, virgo, sim defensus
In die iudicii.
en wil dan mijn voorspraak wezen
als ik 't helse vuur moet vrezen
na het oordeel voor zijn troon.
Fac me cruce custodiri,
Morte Christi praemuniri,
Confoveri gratia;
Laat het kruis over mij waken,
laat zijn dood mij sterker maken,
zodat hij me begeleidt
Quando corpus morietur,
Fac ut animae donetur
Paradisi gloria.
en mijn ziel, als 't lijf moest sterven,
de verrukking doet verwerven
die de hemel ons bereidt.

De onbekende dichter van het ‘Stabat mater’ heeft twee bijbelplaatsen als uitgangspunt van zijn gedicht genomen. Het evangelie van Lucas (2:35) verhaalt dat Maria en Jozef naar Jeruzalem reisden om hun pasgeboren kind aan God op te dragen. Toen zij de tempel binnengingen, werden zij aangesproken door een oude man, de ziener Simeon. Deze nam het kind in zijn armen, noemde het ‘een licht dat voor de heidenen straalt’, maar voorspelde ook dat Maria's ziel eens door een zwaard zou worden doorboord. In het evangelie van Johannes (19:25) wordt verteld dat toen Jezus werd gekruisigd, zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena bij het kruis stonden. In het Latijn luidt het begin van deze zin: Stabant iuxta crucem Iesu mater eius... De dichter heeft beide citaten in de eerste strofen verwerkt.

De eerste vier strofen brengen de vrome christen die de tekst - lezend, luisterend of zingend - op zich in laat werken tot compassio, tot mede-lijden met de treurende moeder Gods. De strofen 5-10 vormen een reeks smeekbeden waarin haar gevraagd wordt, toe te staan dat de ‘ik’ - de ik-vorm onderstreept de persoonlijke relatie - naast Maria bij het kruis mag staan en deel mag nemen aan haar verdriet. Zij moge hem doen ontvlammen in liefde voor haar zoon en hem deelgenoot maken in Zijn lijden. Termen als inebriari (‘dronken worden’), inflammatus et accensus (‘aangestoken en gloeiend’) zijn afkomstig uit de beeldentaal van de mystieke liefde. Door deze brandende liefde voor de lijdende Christus hoopt de ‘ik’, onder Maria's hoede en op haar voorspraak, de hel te kunnen ontgaan en de hemelse vreugde deelachtig te worden.

Verder lezen
Jezus hangt aan het kruis. Daarnaast staan Johannes, zijn beste vriend, en Maria, zijn moeder, die bedroefd zijn over de tragische dood van hun vriend en zoon. Schilderij door de Vlaamse schilder Rogier van der Weyden.