literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Raptor mei pilei/Wie mijn hoed gestolen heeft (Latijn)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Raptor mei pilei/Wie mijn hoed gestolen heeft (Latijn)
uit de Carmina Burana , 12e eeuw

Aan het woord is iemand wiens hoed gestolen is. Hij is buitengewoon kwaad en vervloekt de dief in alle toonaarden. De hagelbui van verwensingen die hij laat neerstriemen op het hoofd van de boosdoener (getooid met zijn hoed!), staat in geen enkele verhouding tot de ernst van het misdrijf. Een verschrikkelijke dood en eeuwige verdoemenis wenst hij hem toe, waarbij hij christelijke en antieke voorstellingen van dood en hiernamaals door elkaar gooit. De dood moet de dief onvoorbereid, dus zonder de sacramenten der stervenden, meeslepen naar de hel; de gelukzalige Elysese velden aan de overzijde van de Lethe, de rivier der vergetelheid in de onderwereld volgens de antieke voorstelling, moge hij nooit betreden.

Ook de volgende strofen combineren met komische overdrijving elementen uit twee cultuurtradities. Vreselijke ziekten moeten de dief ten grave slepen, waarna God hem uit het boek des levens moet schrappen. Van dit boek des levens wordt in de bijbel onder andere gesproken in Openbaring 3:5 en 19:12. Aeacus is een van de rechters in de antieke onderwereld. Uit dezelfde mythologie stammen in de derde strofe Cerberus, de monsterlijke hond die de Hades bewaakt, en de wrekende Eryniën, een andere naam voor de Furiën, die misdadigers vervolgen. De vierde strofe bedreigt de dief met de kerkelijke ban, waardoor hij uit de gemeenschap der gelovigen wordt gestoten. Daarenboven moet Alecto, een van de furiën, hem kwellen met alle straffen die de Tartarus, de onderwereld, ter beschikking heeft. En blijkens de laatste strofe wordt ook ieder die omgang heeft met de dief, hoewel hij op de hoogte is van diens excommunicatie, in de ban geslagen.

Raptor mei pilei
Morte moriatur,
Mors sit subitanea
Nec prevideatur,
Et pena continua
Post mortem sequatur,
Nec campis Elysiis
Post Lethen fruatur!
Wie mijn hoed gestolen heeft,
moge hij creperen!
Dat de dood hem plotseling
mores moge leren!
Laat hem in de hellepijn
eeuw na eeuw verkeren,
na de Lethe 't hemelrijk
continu ontberen.
Raptor mei pilei
Seva morte cadat,
Illum febris, scabies
Et tabes invadat,
Hunc de libro Dominus
Vite sue radat,
Hunc tormentis Eacus
Cruciandum tradat!
Wie mijn hoed gestolen heeft,
laat de dood hem snappen,
koorts en schurft en zweren hem
nog naar lucht doen happen.
Laat de Heer hem uit het boek
van het leven schrappen,
moge hem dan Aeacus
door de hel heen trappen.
Eius vita brevis sit
Pessimusque finis,
Nec vivat feliciter
Hic diebus binis,
Laceret hunc Cerberus
Dentibus caninis,
Laceratum gravius
Torqueat Erinys!
Dat zijn leven kort mag zijn,
't einde niet te dragen,
dat hij geen geluk meer kent,
al zijn levensdagen.
Laat de helhond Cerberus
hem aan stukken knagen,
mogen de Eryniën
hem voorzien van plagen.
Excommunicatus sit
Agro vel in tecto,
Nullus eum videat
Lumine directo,
Solus semper sedeat
Similis deiecto,
Hinc penis Tartareis
Cruciet Alecto!
Hij moet in de ban gedaan
in landen en in steden.
Oorden waar men hem kan zien,
mag hij niet betreden.
En dan zit hij daar alleen,
door elkeen gemeden.
Ach, Alecto, pijnig hem
over al zijn leden!
Hoc si quis audierit
Excommunicamen
Et non observaverit
Presulis examen,
Nisi resipuerit
Corrigens peccamen,
Anathema fuerit,
Fiat, fiat! Amen.
Wie van zijn verbanning wel
't nodige vernamen,
maar op grond daarvan nog niet
tot een slotsom kwamen
en hem toch nog blijven zien
zonder zich te schamen,
zijn verbannen, net als hij.
Is getekend. Amen.

Het auteurschap van dit gedicht wordt soms toegeschreven aan de twaalfde-eeuwse clericus Wouter Map, kanselier in Lincoln en later aartsdeken in Oxford. Hij is de auteur van het satirische werk De nugis curialium (‘De beuzelarijen van hovelingen’). De vermenging van christelijke en antiek-mythologische elementen was in het geleerde milieu waartoe hij behoorde heel gebruikelijk. Omdat het woord pileus, dat hier met ‘hoed’ vertaald is, ook ‘mijter’ kan betekenen, heeft men verondersteld dat het gedicht een satire is op een bisschop die wat al te vlot met kerkelijke straffen om zich heen strooide.

Verder lezen
Deze dief heeft geluk: vlak voordat hij ter dood gebracht dreigt te worden, wordt hij op miraculeuze wijze gered door Maria. Miniatuur uit een veertiende-eeuws handschrift met Les miracles de Notre Dame van Gautier de Coinsi.