literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Nemt, frouwe, disen kranz (Duits)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Nemt, frouwe, disen kranz (Duits)
Walther von der Vogelweide, ca. 1200 , Duitsland

De boekhouding van bisschop Wolfger van Passau vermeldt dat op 12 november 1203 aan Walthero cantori de Vogelweide (‘Walther de zanger van de Vogelweide’) een bedrag van vijf schellingen is uitgekeerd pro pellicio, ‘voor een bontjas’. Deze notitie vormt het enige externe getuigenis over de wijze waarop een van de grootste middeleeuwse dichters in zijn levensonderhoud placht te voorzien. Gedurende een groot deel van zijn carrière heeft Walther von der Vogelweide het leven van een rondreizend kunstenaar geleid, optredend aan de hoven van wereldlijke en kerkelijke machthebbers als voordrager en zanger met gedichten en liederen van eigen hand. Afhankelijk als hij was van de goedgunstigheid van zijn broodheren, was zijn juridische status even precair als die van ander ‘varend volk’, zoals acrobaten en vuurvreters. Uit verscheidene van zijn gedichten weten wij hoezeer hij onder de afhankelijkheid en de vernederingen van dit bestaan heeft geleden.

In dit gedicht ontmoeten wij hem als een geniale innovator, die speelt met de conventies van het liefdeslied. De motieven ‘dans’ en ‘droom’ zijn op meesterlijke wijze door het lied verweven. De traditionele situatie van de pastourelle is herkenbaar, maar de erotiek is hier via de symboliek van bloemen op een hoger plan gebracht. Anders dan in veel hoofse liefdeslyriek is de geliefde vrouw geen uit de verte vereerde, onbereikbare dame, maar een meisje dat zich in een liefelijke natuur toeschietelijk toont, zodat er sprake is van een liefde die beiden gelukkig maakt. Maar het blijkt een gedroomde liefde te zijn, een ideaal dat zich in de werkelijkheid niet laat verwezenlijken.

‘Nemt, frouwe, disen kranz!’
alsô sprach ich zeiner wol getânen maget.
‘Sô zieret ir den tanz,
mit den schoenen bluomen, als irs ûffe traget.
Het ich vil edele gesteine,
daz müest ûf iur houbet,
obe ir mirs geloubet.
seht mîne triuwe, daz ichz meine.’
‘Aanvaard, mijn Vrouwe, deze krans,’
kwam ik een heel mooi meisje vragen,
‘zo verleen je luister aan de dans,
als je deze bloemen in je haar zult dragen.
Had ik een diadeem van edelstenen,
ik zou het om je hoofd heen leggen.
Geloof wat ik hiermee wil zeggen,
en op mijn woord, dat zal ik menen!’
Si nam daz ich ir bôt
einem kinde vil gelîch daz êre hât.
Ir wangen wurden rôt
same diu rôse, da si bî der liljen stât.
Do erschampten sich ir liehten ougen:
doch neic si mir schône.
daz wart mir ze lône.
wirt mirs iht mêr, daz trage ich tougen.
Zij nam wat ik haar bood,
een eerzaam kind, zich niet bewust van enig kwaad.
Haar wangen kleurden rood,
zoals een roos te midden van de lelies staat.
Ze hield haar ogen neergeslagen,
maar knikte, leek mij zeer genegen,
nooit heb ik groter loon gekregen,
van wat er méér komt, zal ik niet gewagen.
‘Ir sît sô wol getân,
daz ich iu mîn schapel gerne geben wil,
So ichz aller beste hân.
wîzer unde rôter bluomen weiz ich vil.
Die stênt sô verre in jener heide.
dâ si schône entspringent
und die vogele singent,
dâ suln wir si brechen beide.’
‘Je bent zo mooi en fijn,
mijn krans van bloemen bied ik je graag aan,
de mooiste die er zijn.
Ik weet waar rode en witte bloemen staan,
ginds in de verte op de heide,
waar hun knoppen openspringen
terwijl de vogels zingen.
We gaan ze plukken met ons beiden.’
Mich dûhte daz mir nie
lieber wurde, danne mir ze muote was.
Die bluomen vielen ie
von dem boume bî uns nider an daz gras.
Seht, dô muost ich von fröiden lachen,
do ich sô wünneclîche
was in troume rîche,
dô taget ez und muos ich wachen.
Nooit meer dan die ene keer
gebeurde het dat ik zo gelukkig was.
De bloesems vielen neer
van de bomen waar wij lagen in het gras.
Ik lachte midden in mijn dromen,
die mij dit vreugdevolle leven
zomaar ineens hadden gegeven.
Toen werd ik wakker, was de dag gekomen.
Mir ist von ir geschehen,
daz ich disen sumer allen meiden muoz
Vast under d'ougen sehen:
lîhte wirt mir einiu: so ist mir sorgen buoz.
Waz obe si gêt an disem tanze?
frouwe, dur iur güete
rucket ûf die hüete:
owê gesaehe ichs under kranze!
Ik zal, wil ik haar echt bereiken,
deze zomer alle meisjes op een rij
diep in de ogen moeten kijken:
vind ik haar, dan is mijn zorg voorbij.
Wie weet is zij daar al aan het dansen...
Lieve dames, jullie willen
toch je hoedje wel optillen?
O, zag ik haar maar onder al die kransen!

De volgorde van de strofen is niet in alle handschriften dezelfde. Wij volgen de interpretatie van Peter Wapnewki, een van de beste kenners van Walthers poëzie. De hier volgende parafrase kan de subtiliteit van het gedicht slechts aanduiden.

Strofe 1: wij horen een minnaar die een lieftallig meisje aanspreekt, dat blijkbaar op het punt staat deel te nemen aan een dans. Hij gebruikt een aanspreekvorm die zijn eerbied en schroom uitdrukt: frouwe. Als symbool van de liefde die hij voor haar voelt, biedt hij haar een krans van bloemen aan. Had hij edelstenen tot zijn beschikking, zo verzekert hij haar, dan zou hij haar hoofd met een diadeem willen tooien.

Strofe 2: de ‘ik’ vertelt hoe het meisje reageerde op zijn huldeblijk. Blozend en met neergeslagen ogen nam zij het kransje aan. De vriendelijke nijging waarmee zij hem dankte was voor hem een beloning. Zou zij hem nog meer willen schenken, dan zou hij dat in het geheim voor zich behouden.

Strofe 3: het antwoord van het meisje. Zij toont zich gevoelig voor zijn charme en verklaart dat zij hem haar krans - de krans die zij van hem gekregen heeft - wil geven. Zij beantwoordt dus zijn liefde. Maar zij gaat verder. Zij zegt dat zij op het veld (in jener heide) witte en rode bloemen weet te staan. Daar, in de liefelijke natuur, zullen zij samen bloemen plukken (dat wil zeggen: zich overgeven aan het liefdesspel).

Strofe 4: de minnaar vervolgt zijn verhaal. Nooit had hij zich gelukkiger gevoeld dan toen. Bloesems dwarrelden op hen neer terwijl zij samen in het gras lagen en elkaar beminden. Hij had gelachen van vreugde en geluk - en dat had hem doen ontwaken. Verrast constateert de lezer dat alles wat tot hier is verteld, zich in een droom van de ‘ik’ heeft afgespeeld.

Strofe 5: maar de droom is niet zonder gevolgen gebleven. Het meisje dat hem in de droom haar liefde heeft geschonken, blijft ook in de realiteit zijn verlangen beheersen. Sindsdien is hij naar haar op zoek. Alle meisjes die hij ontmoet, kijkt hij diep in de ogen. Bevindt zij zich misschien onder de deelneemsters aan de dans die hier aan de gang is?

Verder lezen
Walther von der Vogelweide, miniatuur uit de beroemde Codex Manesse.
In de Codex Manesse is een iets afwijkende versie van het gedicht Nemt, frouwe, disen kranz te vinden.