literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Yr wylan/De Zeemeeuw (Welsh)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Yr wylan/De Zeemeeuw (Welsh)
Dafydd ap Gwilym (ca. 1320-ca. 1380), Wales

Geen middeleeuwse dichter heeft in zijn poëzie een grotere plaats ingeruimd voor de natuur dan de Welshman Dafydd ap Gwilym (‘David Willemszoon’). Van zijn leven weet men weinig. Hij moet omstreeks 1320 zijn geboren in de buurt van het huidige Aberystwyth. Sinds 1284 was het vorstendom Wales geheel onder de Engelse kroon gebracht. Dafydds familie bekleedde een invloedrijke positie in het landsbestuur, maar hield de Welshe taal en cultuur in ere. Aan zijn oom Llywelyn, slotvoogd van Newcastle Emlyn, dankte Dafydd zijn scholing als dichter en misschien ook zijn ontvankelijkheid voor de literaire impulsen die van de internationale hoofse cultuur uitgingen. In zijn gedichten streeft hij naar een synthese van traditionele, soms eeuwenoude Welshe dichtvormen en motieven en ‘moderne’ opvattingen over poëzie, over de persoon van de ‘ik’, over de natuur en de liefde.

De keltologe Rachel Bromwich heeft Dafydd ap Gwilym ‘above all the poet of Summer’ genoemd. Elementen uit de Natuur verwijzen bij hem niet, zoals in zo veel middeleeuwse poëzie, naar een hogere, transcendente werkelijkheid, en evenmin beschrijft hij het landschap als een spiegel van het innerlijk. Het woud wordt in zijn gedichten meestal geëvoceerd als een paradijselijk oord, ver van de zorgen van het dagelijks leven, waar minnaars elkaar in het groen ontmoeten in een idyllische saamhorigheid met de viervoeters en de vogels.

Yr wylan De zeemeeuw
Yr wylan deg ar lanw dioer
Unlliw ag eiry neu wenlloer,
Dilwch yw dy degwch di,
Darn fel haul, dyrnfol heli.
Ysgafn ar don eigion wyd,
Esgudfalch edn bysgodfwyd.
Yngo'r aud wrth yr angor
Lawlaw â mi, lili môr.
Llythr unwaith llathr ei annwyd,
Lleian ym mrig llanw môr wyd.
Waar haalde jij je kleur vandaan,
zeemeeuw? Van sneeuw of van de maan?
Jij bent volmaakt van kleur en lijn,
een scherfje van de zonneschijn.
Trots wezen dat gewichtloos is
als het op golven speurt naar vis,
voor anker rijdend - kom toch mee,
jij, blanke lelie van de zee,
zo glanzend, als papier zo wit,
een non die op de golven zit.
Cyweirglod bun, câi'r glod bell,
Cyrch ystum caer a chastell.
Edrych a welych, wylan,
Eigr o liw ar y gaer lân.
Dywed fy ngeiriau duun.
Dewised fi, dos at fun.
Byddai'i hun, beiddia'i hannerch,
Bydd fedrus wrth foethus ferch
Er budd; dywed na byddaf,
Fwynwas coeth, fyw onis caf.
Een meisje wordt misschien mijn deel.
Omcirkel, zeemeeuw, elk kasteel,
kijk overal of je haar ziet,
want mooier is zelfs Eigr niet.
Breng haar mijn woordenwaterval
en maak dat ze mij kiezen zal.
Zorg dat ze alleen is als je haar groet,
gedraag je: ze is welopgevoed,
zeg dat een nette jongeman
zonder haar niet meer leven kan.
Ei charu'r wyf, gwbl nwyf nawdd,
Och wy^r, erioed ni charawdd
Na Myrddin wenieithfin iach,
Na Thaliesin ei thlysach.
Siprys dyn giprys dan gopr,
Rhagorbryd rhy gyweirbropr.
Och wylan, o chai weled
Grudd y ddyn lanaf o Gred,
Oni chaf fwynaf annerch,
Fy nihenydd fydd y ferch.
Vol hartstocht is mijn hunkering,
want nooit aanbad een sterveling
- zelfs Myrddin niet, met zijn gevlei,
Taliësin niet - een vrouw als zij,
van bijna goddelijke natuur,
met een meer dan volmaakt figuur.
Zeemeeuw, je ziet misschien een wang
van haar naar wie ik zo verlang.
Als zij haar liefde niet verklaart,
dan is mijn leven niets meer waard.

‘Yr wylan’ (‘De zeemeeuw’) behoort tot een groep gedichten die in het Welsh met de term llatai, ‘liefdesboodschapper’ wordt aangeduid. Het zijn verzen waarin een minnaar een dier opdraagt een boodschap naar zijn geliefde te brengen. Meestal is het een vogel die als postillon d'amour fungeert, een enkele keer ook een viervoetig dier, zoals een hert. Hier gaat het om een zeemeeuw, een vogel waarmee in de poëzie slechts zelden amoureuze associaties worden verbonden. Dafydds llatai-gedichten beginnen steeds met een beschrijving van het dier-in-kwestie in een reeks verrassende vergelijkingen. Zo wordt de meeuw in dit gedicht ‘een scherfje zon’ genoemd, ‘handschoen van het schuim’, ‘lelie van de zee’, ‘voor anker rijdend’ als een schip, ‘wit als papier’ - om ten slotte te worden toegesproken met de woorden ‘je bent een non op de toppen van de vloed’.

In de tweede strofe wordt de meeuw opgedragen naar het meisje te gaan zoeken. Dafydd vergelijkt haar schoonheid met die van Eigr, volgens de Welshe overlevering de moeder van koning Artur (in Latijnse teksten heet zij Ygerna). De derde strofe plaatst haar op één lijn met de geliefden van twee beroemde minnaars uit het verleden: de ziener Myrddyn (de tovenaar Merlijn uit de Artur-verhalen) en de legendarische zesde-eeuwse Welshe dichter Taliësin. Bepaalt Dafydd ap Gwilym met deze vergelijking zijn positie ten opzichte van de ‘nationale’ dichtkunst, in de voorlaatste regel van deze strofe laat hij zien dat hij ook in de beeldentaal van internationale, geleerde poëzie thuis is. De woorden Siprys dyn gipris dan gopr bevatten, zo neemt men aan, een - onvertaalbare - toespeling op de ‘Cyprische’, een bijnaam van de godin Venus, die in de alchemie het metaal koper als het hare beschouwt. Waarbij men zich kan afvragen of Dafydds geliefde wellicht koperblond haar had.

Even onoverdraagbaar als de woordspeling op Venus' bijnaam zijn de formele eigenschappen van de cywydd, het type gedicht waartoe ‘Yr wylan’ behoort. De zeven lettergrepen van elke regel zijn onderling verbonden door ingewikkelde patronen van alliteratie en binnenrijm. In het Welsh valt de klemtoon in meerlettergrepige woorden op de voorlaatste syllabe. Dafydd gebruikt systematisch een vorm van eindrijm waarbij een van de twee rijmwoorden van een rijmpaar het accent op de laatste en het andere het accent op de voorlaatste lettergreep draagt. In het Nederlands zou dit rijmparen van het type oorlog: toch of landschap: grap opleveren, maar de fonologische structuur van onze taal laat niet toe dit rijmprocédé anders dan incidenteel toe te passen. Om de gratie van Dafydds gedicht niet onder onnatuurlijk klinkend geknutsel verloren te laten gaan heeft de vertaler gekozen voor paarsgewijs rijmende regels van acht lettergrepen.

Verder lezen
Een meeuw, afgebeeld in een handschrift met Jacob van Maerlants Der naturen bloeme.