literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Mé Éba, ben Ádaim uill/Ik ben Eva, Adams vrouw (Iers)
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Mé Éba, ben Ádaim uill/Ik ben Eva, Adams vrouw (Iers)
auteur onbekend, elfde eeuw , Ierland

Wat dit kleine gedicht zo bijzonder maakt, is zijn aanhef. Het is alsof men de gestalte van Eva, de stammoeder van het mensengeslacht, afgebeeld op een eeuwenoud, verweerd reliëf, opeens tot leven ziet komen en hoort hoe zij begint te spreken. Haar woorden zijn een schuldbekentenis. Zij verklaart zich schuldig aan de dood van Christus, die immers gestorven is om haar nageslacht te bevrijden van de gevolgen van haar begerigheid. Doordat zij zich niet kon beheersen en de appel plukte, heeft zij haar kinderen het paradijs ontstolen. Haar zonde leeft tot de huidige dag voort in de dwaasheid van alle vrouwen. De koude, de hardheid van het aardse bestaan, zelfs de hel - ze zouden er niet zijn als zij, Eva, deze daad niet had begaan.

Mé Éba, ben Ádaim uill;
mé ro sáraig Ísu thall;
mé ro thall nem ar mo chloinn:
cóir is mé do-chóid sa crann.
Ik ben Eva, Adams vrouw.
De dood van Jezus komt door mij.
Ik nam mijn kroost de hemel af,
had het kruis meer verdiend dan Hij.
Ropa lem rígtheg dom réir;
olc in míthoga rom-thár;
olc in cose cinad rom-chrín:
for-ír! ní hidan mo lám.
Ik heerste in het paradijs,
fataal toch moest mijn wandaad zijn:
ze leidde tot mijn ondergang.
Mijn handen zijn niet langer rein.
Mé tuc in n-uball an-úas;
do-chúaid tar cumang mo chraís;
in céin marat-sam re lá
de ní scarat mná re baís.
Ik ben het die de appel nam,
uit hebzucht heb ik het gedaan.
Sindsdien zal er steeds dwaasheid zijn
in alle vrouwen die bestaan.
Ní bíad eigred in cach dú;
ní bíad geimred gáethmar glé;
ní bíad iffern; ní bíad brón;
ní bíad oman, minbad mé.
Er was geen ijs of kou geweest,
geen winterstorm, geen hel, geen snik,
geen angst en beven, zonder mij.
De oorzaak van de smart ben ik.

Ierland kan bogen op de oudste lyrische poëzie in de volkstaal die uit het middeleeuwse Europa is overgeleverd. De vroegste overblijfselen van deze dichtkunst dateren uit de zesde eeuw; het zijn prijsliederen ter ere van grote mannen en klaagzangen bij de dood van een held. Van de achtste eeuw af ziet men in de kloosters een nieuw soort lyriek ontstaan, met geheel andere thema's. Het is een poëzie van monniken, die kleine gedichtjes, vaak kwatrijnen, in de marges van hun handschriften noteren. Inspiratie vinden zij in de natuur die hen omringt als zij buiten zitten te bidden of te schrijven, in het alleenzijn in het besef van Gods nabijheid, in de zuiverheid van het dienende leven. Het gedicht over Eva, dat door de grote keltoloog Gerard Murphy in de elfde eeuw wordt gedateerd, behoort tot een ander type. De ‘ik’ is hier geen monnik of kluizenaar, maar een bijbelse figuur die sprekend wordt ingevoerd. Mogelijk is er verwantschap met de Oudierse Saltair na Rann (‘psalter op rijm’) uit de tiende eeuw, waarin een dialoog tussen Adam en Lucifer voorkomt.

De dichter van ‘Mé Éba’ is waarschijnlijk een monnik geweest (wat de anti-feministische inslag van zijn gedicht begrijpelijk maakt). Hij is erin geslaagd een geloofwaardige Eva-figuur te creëren die de lezer weet te overtuigen van haar spijt en berouw. Zijn beheersing van de poëtische vorm is indrukwekkend. De Oudierse versbouw kent een gecompliceerd systeem van correspondenties tussen de klinkers en medeklinkers van elk vers of verspaar. In dit gedicht is sprake van eindrijm, binnenrijm, alliteratie, assonantie (overeenstemmende klinkers) en consonantie (overeenstemmende medeklinkers). Een bijzonder effect bereikt de dichter door Eva's schuldbekentenis te laten eindigen met hetzelfde woord (‘ik’) als waarmee zij begon.

Verder lezen
Adam en Eva plukken de appel van de Boom der Kennis. Miniatuur uit een Franse bijbel van circa 1200.