literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Lied van de twee koningskinderen
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Lied van de twee koningskinderen
auteur en datering onbekend

Het lied van de twee koningskinderen vertelt het tragische verhaal van twee geliefden die niet voor elkaar bestemd zijn. De onoverbrugbare hindernis (van politieke aard?) wordt gesymboliseerd door een diepe en snelstromende rivier. Ze zijn zich van het gevaar bewust, maar menen met hun kaarsen toch een oplossing gevonden te hebben. Een macht die sterker is dan zij, hier in de vorm van een boze heks, doet hun dappere poging stranden. De jongen verliest zijn oriëntatiepunt en verdrinkt in de rivier. Het meisje wil niets liever dan het lichaam van haar dode geliefde in haar armen sluiten. Daartoe bedenkt ze een list. Ze wendt hoofdpijn voor en vraagt haar moeder of ze een wandeling mag maken. Met een handige smoes voorkomt ze dat haar zusje haar zal vergezellen. Een visser in dienst van haar vader helpt haar de drenkeling terug te vinden. Ze neemt hem in haar armen en beneemt zichzelf het leven, na in gedachten afscheid te hebben genomen van haar familie en vrienden.

Het waren twee koninghs kindren,
Sy hadden malkander soo lief;
Sy konden by malkander niet komen,
Het water was veel te diep.
Er waren twee koningskinderen
die veel van elkaar hielden.
Ze konden niet bij elkaar komen
omdat het water veel te diep was.
Wat stack sy op: drie keerssen,
Drie keerssen van twaelf int pont,
Om daer mee te behouden
's Konincks soone van jaren was jonck.
Wat ontstak ze? Drie kaarsen,
waarvan er twaalf in een pond gaan,
om daarmee de koningszoon,
die jong was, voor zich te behouden.
Met een quam daer een besje,
Een oude fenynde bes,
En die blies uyt de keerssen
Daer verdroncker dien jongen helt.
Maar toen kwam er een
oud venijnig besje
dat de kaarsen uitblies,
waardoor de jonge held verdronk.
‘Och moeder,’ seyde sy, ‘moeder
Mijn hoofje doet mijnder soo wee,
Mocht ik 'er een kort half uurtje
Spanceeren al langhs de zee?’
‘Ach moeder,’ zei ze, ‘moeder,
ik heb zo'n hoofdpijn,
zou ik een half uurtje
langs de zee mogen wandelen?’
‘Och dochter,’ seydese, ‘dochter!
Alleen en meught ghy niet gaen:
Weckt op u jongste suster,
En laet die met u gaen.’
‘Ach dochter,’ zei ze, ‘dochter,
alleen mag je niet gaan,
maar maak je jongste zusje wakker
en laat haar met je meegaan.’
‘Mijn alder jongste suster
Dat is also kleynen kint;
Sy pluckt maer al de roosjes
Die sy in haer wegen vint;
‘Maar mijn jongste zusje
is nog zo’n klein kind,
ze plukt zomaar alle roosjes
die ze langs de weg tegenkomt.
Sy pluckt maer al de roosjes,
En die bladertjes laet sy staen,
Dan seggen maer al de lieden,
Dat hebben konincx kinderen gedaen.’
Zij plukt de roosjes,
en de blaadjes laat ze staan,
en alle mensen zeggen: dat hebben
de kinderen van de koning gedaan’
De moeder gingh na de kercke,
De dochter gingh haren gangh:
Zy gingh maer also verre
Daer sy haer vaders visser vant.
De moeder ging naar de kerk
en de dochter ging haars weegs,
en ze ging zo ver dat ze
de visser van haar vader vond.
‘Och visscher,’ seydese, ‘visscher,
Mijn vaders visscherkijn,
Wout ghy een weynigh visschen,
't Zoud' u wel geloonet zijn.’
‘Ach visser,’ zei ze, ‘visser
van mijn vader, als je even zou
willen vissen, zou je daarvoor
goed beloond worden.’
Hy smeet zijn net in 't water,
De lootjes gingen te gront,
Hoe haest was daer gevisset
's Koninghs sone van jaren was jonck.
Hij gooide zijn net uit en
de gewichten zakten naar de bodem,
en al snel werd
de jonge koningszoon opgevist.
Wat trock sy van haer hande?
Een vingerling root van gout:
‘Hout daer myns vaders visser,
Dat isser den loone voor jou.’
Wat trok zij van haar hand?
Een ring van rood goud.
‘Neem dit aan, visser van mijn vader,
dit is je beloning.’
Sy nam hem in de armen,
Sy kusten hem voor sijn mont,
‘Och mondelingh, kost ghy spreken!
Och hertje waert gy der gesont!’
Ze nam de dode prins in de armen
en kuste hem op de mond.
‘Och mond, kon je nog maar spreken,
en hart, was je nog maar gezond!’
Zy nam hem in haer armen,
Zy spronker mee in de zee:
‘Adieu mijn vader en moeder,
Van u leven siet ghy my niet weer.
Ze nam hem in haar armen
en sprong met hem in zee:
‘Vaarwel vader en moeder,
nooit, zolang u leeft, ziet u me weer.
Adieu mijn vader en moeder,
Mijn vriendekens alle gelijck,
Adieu mijn suster en broeder,
Ick vaerder na 't hemelrijk.’
Vaarwel vader en moeder,
en al mijn vrienden,
vaarwel zus en broer,
ik ga naar de hemel.’

Het thema van de onbereikbare geliefde was in de Middeleeuwen zeer geliefd. De meest bekende toepassing is wel het verhaal van Tristan en Isolde. Maar ook de – waargebeurde – liefdesgeschiedenis van Abelard en Heloïse werd graag en vaak doorverteld. Na de Middeleeuwen is het thema onsterfelijk gemaakt door Shakespeare in zijn Romeo and Juliette.

Opvallend is dat de koningsdochter aan het eind van het lied de verwachting uitspreekt dat ze naar de hemel zal gaan, terwijl zelfmoordenaars volgens de kerkelijke leer onherroepelijk de hel als laatste bestemming hadden.

Twee hoofse geliefden, wier liefde wél voorbestemd was, vermeien zich in een tuin.