literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Burggravin van Vergi
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Burggravin van Vergi
auteur onbekend, 1315 , Brabant

Een jonge ridder heeft veel succes aan het hof van de Bourgondische hertog. De schone burggravin van Vergi, een getrouwde adellijke dame en nicht van de hertog, vat liefde voor hem op. Zij pleegt hem te ontvangen in haar kamer. Als signaal dat zij alleen is, stuurt zij haar hondje de boomgaard in, waar de ridder wandelt. Zo slagen zij erin hun liefde geheim te houden. De situatie verandert echter als de hertogin avances maakt in de richting van de ridder. Hij wijst haar af, waarop zij hem bij haar man beschuldigt haar met erotische voorstellen te hebben lastiggevallen. De hertog schenkt zijn vrouw geloof, en wil de ridder verbannen. Deze ziet geen andere uitweg dan de hertog zijn geheim toe te vertrouwen, waarbij hij een klemmend beroep doet op diens discretie. De hertog vergezelt de ridder naar de boomgaard en overtuigt zich ervan dat het inderdaad zijn nicht is met wie de ridder een liefdesrelatie heeft. De hertogin slaagt erin haar man het geheim afhandig te maken. Tijdens een feest maakt zij een toespeling op de rol van het hondje. De burggravin leidt hieruit af dat de ridder hun geheim verraden heeft en trekt de conclusie dat hij niet langer van haar houdt. Ze voelt zich beroofd van het liefste dat zij bezat en sterft van liefdesverdriet. De ridder treft even later zijn geliefde dood aan en pleegt zelfmoord. De hertog straft zijn vrouw door haar te doden en verlaat zijn land om als Tempelier in het Heilige Land voor zijn zonden te boeten.

De hertog en de ridder komen volgens de afspraak samen aan bij de boomgaard van de burggravin.
Doen siere beiden binnen waren,
Quam thondekijn sonder sparen,
Alsoe alster te comen plach.
Alse dat die hertoghe sach,
Soe es hi en wech ghegaen,
Ende liet den ridder allene staen,
Om dat hi niet en woude,
Dat sijn nichte weten soude.
Dat hondekijn quam ten here,
Ende toefdene herde sere.
Daer na quam die borchgravinne,
Diene ontfinc met bliden sinne.
Daer was ghehelst ende ghecust,
Des hem beiden wel lust;
Ende menech vriendelijc waert.
Sprac deen ten anderen waert.
Die hertoghe sach al toe,
Hoet daer mede was, ende hoe
Si mallic anderen sere custen,
Dies hem beiden wale luste.
Die ridder seide: ‘Mijn vriendinne
Sidi boven alle die ic kinne;
Ghi sijt mijn troest ende joeie,
Ghi soe huedt mi van vernoeie.’
‘Wel lieve lief’, seide die vrouwe,
‘Ghi sijt mijn feeste sonder rouwe,
Want ic weet al sonder waen:
Als ic u hebbe in minen aerm bevaen,
Ghesont benic dan ende blide;
Sone mochtic dan tien tide
Niet ghecrighen op ertrike
Bliscap al die ghelike.’
Ze liepen langs de eerste bomen
toen ze het hondje zagen komen,
zoals 't gewoon was om te doen.
De hertog zag het beest en toen
is hij wat verderop gegaan
en liet de ridder rustig staan
omdat zijn nichtje daar ter plekke
hem vooral niet mocht ontdekken.
't Hondje ging om de ridder rennen,
die het terdege bleek te kennen,
waarop de vrouw van zijn verlangen
hem vol van blijdschap kwam ontvangen.
Daar werd omhelsd, daar werd gekust,
't was werkelijk een lieve lust,
de twee gelieven spraken daar
tedere woorden tot elkaar.
De rijke hertog keek ernaar
en in zijn armen zag hij haar
en hoe die twee elkaar daar kusten
zonder maar even uit te rusten.
De ridder zei: ‘Vrouw van mijn dromen,
bij jou alleen wil ik graag komen,
jij bent de vreugde van mijn dagen,
bij jou komt geen verdriet me plagen.’
De dame zei: ‘Mijn toegewijde,
mijn vreugde kent geen schaduwzijde,
want als jij in mijn armen ligt
en als ik kijk in jouw gezicht,
ben ik gezond en opgetogen.
Jij alleen hebt dat vermogen:
niemand op aarde kan mij geven
wat ik bij jou mag beleven.’
(Vertaling: Willem Wilmink)

Het Middelnederlandse verhaal over de Burggravin van Vergi - een vrije bewerking van een Oudfranse versie - is een van de zeldzame middeleeuwse verhalen met een tragische afloop. De oorzaak van de tragedie is de schending van de geheimhouding over een overspelige liefdesrelatie, niet het overspel tussen de burggravin en de ridder zelf. Uit het verhaal wordt duidelijk dat overspel in het aristocratische milieu niet als een probleem werd gezien. Zo speelt de man van de burggravin in het verhaal geen enkele rol en de hertogin probeert de ridder te verleiden door hem voor te houden dat een verhouding met een dame van hoge status voor hem bijzonder eervol zou zijn.

Niet alleen de hertogin - die tweemaal aan bijbelse verhalen ontleend gedrag vertoont (zie resp. Genesis h. 39 en Rechters h. 14) - komt er in het verhaal slecht vanaf, ook de hertog zelf gedraagt zich een vorst onwaardig. Als hij zich door de ridder heeft laten overtuigen van het verraad van zijn vrouw, roept hij haar niet ter verantwoording, maar laat zich meeslepen door een onbedwingbare voyeuristische nieuwsgierigheid. En als hij later de dure eed zweert dat hij vore elken mensche die levet geheim zal houden wat hij gezien heeft, duurt het maar een paar uur voor hij zich het geheim laat ontfutselen.

Het verhaal was in de veertiende eeuw erg populair, wat blijkt uit het feit dat er niet minder dan negen ivoren sieradenkistjes zijn bewaard waarop scènes uit dit verhaal zijn afgebeeld. Waarschijnlijk waren ze bedoeld als geschenk aan een geliefde bij het begin van een relatie, verloving of huwelijk. Het kostbare geschenk moest de geliefde eraan herinneren hem even voorwaardelijk te beminnen als de burggravin haar ridder, en evenzeer op haar hoede te zijn voor de afgunstigen en roddelaars die altijd op de loer liggen.

Verder lezen
Hoofs liefdespaar.
Op deze tinnen speld van omstreeks 1400 staan de hertog en het hondje van achter een boom toe te kijken hoe even verderop de ridder en de burggravin de liefde bedrijven. Het vogeltje heeft een banier in zijn pootjes met het woord amours (liefde) erop. De speld is gevonden in een oude rivierbedding bij Wijk bij Duurstede.