literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen Literatuurgeschiedenis.nl: Trojeroman
   1000       1100       1200       1300       1400       1500       1600       1700       1800       1900       2000    
Trojeroman
Segher Diengotgaf, ca. 1240 , Brabant

Tijdens de grote oorlog tussen de Trojanen en de Grieken, die door Homerus in zijn Ilias definitief in de geschiedenis is verankerd, wordt een wapenstilstand van veertig dagen gehouden. Tot nu toe is er in de oorlog hevig gevochten. De Trojaanse strijders probeerden elkaar in dapperheid te overtroeven, omdat ze elk de ogen van hun lieftallige en beminnenswaardige vrouwe op zich gericht wisten. Het verhaal begint de avond voordat de strijd weer zal ontbranden. Koning Priamus nodigt de strijders en vrouwen aan zijn tafel. Na de maaltijd gaan vrouwen ende riddren mede naar een prieel om zich daar te vermeien. In deze idyllische omgeving vol luisterrijk groen, kwinkelerende vogels en klaterende fonteinen, ontspinnen zich galante gesprekken tussen de ridders en hun aanbedenen. Als publiek mogen we er drie als in close-up meebeleven. Pollidamas wil Helena - wier schoonheid de aanleiding was voor de Trojaanse oorlog - van zijn liefde op de hoogte brengen, maar weet niet hoe te beginnen. Mennoen worstelt met zijn liefdesverklaring aan Pollexina. Menfloers, tenslotte, bemint Andromache, de vrouw van Hector. De drie mannen zijn op het slagveld voor geen kleintje vervaard, maar in het gezelschap van hun beminde staan ze met de mond vol tanden. De vrouwen echter zijn in deze situatie heer en meester, en weten de gespannen sfeer elk op hun eigen manier zo fijngevoelig op te lossen dat de hoofsheid gewaarborgd en het eergevoel van de mannen intact blijft.

Pollidamas wil Helena zijn liefde verklaren. Eerst plaagt Helena hem een beetje. Ze is echter gehuwd, en wil dus van een officiële liefdesverklaring niets weten. Daarop bedenkt ze een list (vs. 345-449).
Pollidamas ende Helene
Bi hem, sijn vaer en was niet cleene,
Te peisene om alsoe hoghen sake.
Minne riet hem dat hi sprake,
Echt riet si hem dat hi bruchte
Mettien beefde hi ende vruchte
Ende sloech sijn hoet int erde neder;
Ende doe hi was becomen weder,
Sach hi bloedelijc op hare,
Soe dats Helene wert gheware,
In al dien dat si verkinde,
Dat hi sekerlike minde,
Maer sine wiste niet wel wien.
Hi verboude hem mettien
Ende seide te halven worde,
Soe dat sijt cumelike hoerde:
‘Ghenade, vrouwe!’ ende hi besweec
Metter talen ende hi wert bleec;
Hi versuchte herde onsachte.
Helene, die hare wel bedachte,
Sach te hant wel wat hem was.
‘Segt mi,’ seit si, ‘Pollidamas,
Wat hebdi jeghen mi mesdaen?
Doet mi uwe mesdaet verstaen,
Daer ghi mi af comt te ghenaden.
Ic wilre mi gherne op beraden.’
Hi swech. Ende si sprac anderwerven:
‘Sprect, dus en maecht niet bederven
Die tale die ghi hebt begonnen,
Ocht ic moet u wanconnen
Als die ghene die jeghen mi
Mesdadich es; ic segge u twi:
Ghi lijdt selve uwe mesdaet.’
‘Vrouwe’, seit hi, ‘ghi verstaet
Bat dan ghi antwerdt, wat ic mene.’
‘Ic versta’, sprac doe Helene,
‘Dat ghi sijt jeghen mi mesdadech
Ende baedt dat ic uus ware ghenadech.’
‘Ghenade badic, dat was waer.
Ic seide u, dorst ic doer den vaer,
Twi ics badt ende oec beghere.
Binnen Troyen noch int here
En es ridder van soe hoghen name,
Maer mochtic minen lichame
Jeghen den sinen avontueren,
Die vaer soude mi men ghedueren
Dan den vaer dat ic u moet
Die waerheit segghen. Vrouwe, nu doet
Met mi uwen wille; hebt mijns genade
Ende aen hoert mine mesdade:
Ic minne u voer alle die leven.
Nemmermeer en moet mi God gheven
Andren moet, noch andren sin,
Eest mijn verlies oft mijn ghewin.’
Dat woert nam hi met suchten inde,
Soe dat Helene wel bekinde
Dat hem al in erste was.
‘Ontwaect,’ seide si, ‘Pollidamas!
Hoert hoe die voghelkine singhen.
Al sliepic, ic waender bi ontspringhen.
Waect nu ende slaept te nacht ghenoech.’
‘Vrouwe,’ seit hi, ‘groet onghevoech
Dade hi, die sliepe ende bi u sate.’
‘Dat onghevoech ende die ommate
Ghesciede u. Nu oec seit di,
Selke dinc slapende te mi;
Haddise gheseit al wakende,
U ware vernoy daer af nakende.’
‘Sliepic?’ ‘Jaghi.’ ‘Dede of en dede,
Sint ghijt segt, ic lye alsoe mede.
Messeidic dan slapende iet?’
‘Jaghi, maer ghi en wistes niet;
Bedi willic in spele verdraghen.’
‘Magic, sonder mesdaet, vraghen
Wat ic messeit hebbe?’ ‘Jaghi.
Ghi segt ghenade tierst aen mi.
Doe waendic dat ghi hat gewaect
Ende andwerde op dat ghi spraect.
Ic vraghede welc u mesdaet ware.
Int inde seit di openbare
Dat ghi mi minnet. Als ic dat hoerde
Ja doverdadelike worde,
Daer ghi u te sere af verliept,
Doe waendic dat ghi sliept
Ende u droemde; doe wectic u’.
‘Ai vrouwe! dicker dan nu
Heeft men gheseit te meneger stont:
Dat es inden moede, dats inden mont.’
‘Ja, segdi dan dat es in moede?’
‘Ghenade, scone vrouwe goede!
Es ocht en es, in ders ghewaghen,
Want in u mochte niet ghedraghen
Uwen evelen moet te dien dat ic
Draghe ende gedraghen hebben een stic.’
Helena seide, ende seide waer:
‘Lichte bordene es verre swaer,
Ja diese verre draghen moet.
Die mi wel an, God gheve hem goet;
Hets rechts dat ic hem onne wale.
Nu laten wi vallen dese tale:
Heefter iet ghewest te vele,
Dat ment oec verdraghe te spele,
Ende horen wi nader voghelen sanghe.’
Hier met saten si soe langhe
Dat der talen was een gheswijch.
Pollidamas zat daar met Helena
bij zich. Zijn vrees was niet gering,
al peinzend over een gewichtige zaak.
De liefde spoorde hem telkens opnieuw aan
om te spreken en de gelegenheid te baat te nemen.
Maar op datzelfde moment beefde hij en was bang
en boog zijn hoofd diep ter aarde.
En toen hij weer tot zichzelf was gekomen,
keek hij verlegen naar Helena,
zodat zij uit alles wat ze
waarnam kon opmaken,
dat hij beslist verliefd was.
Ze wist alleen niet goed op wie.
Hij vatte moed
en zei binnensmonds,
zodat ze het nauwelijks hoorde:
‘Genade, vrouwe.’ En bij deze woorden
werd hij bleek en viel bijkans flauw.
Hij zuchtte heel diep.
De bedachtzame Helena zag direct
hoe het met hem gesteld was.
‘Zeg mij, Pollidamas,’ zei ze,
‘wat hebt u tegen mij misdaan?
Beken de misdaad,
waarvoor u mij genade vraagt.
Ik wil het graag overwegen.’
Hij zweeg. Andermaal sprak zij:
‘Spreek; zo kan het gesprek,
dat u begon, niet eindigen,
of ik zal u een kwaad hart moeten toedragen
als iemand, die een misdaad tegenover mij heeft begaan.
Ik zal u zeggen waarom:
u bekent immers zelf uw misdaad.’
‘Vrouwe,’ zei hij, ‘u begrijpt heus beter
wat ik bedoel, dan u uit uw antwoord laat blijken.’
‘Ik begrijp,’ sprak Helena daarop, ‘dat u
jegens mij een misdaad hebt begaan
en mij hebt gesmeekt om u genadig te zijn.’
‘Ik smeekte u om genade, dat is waar. Ik zou u ook zeggen
waarom ik het u smeekte en nog steeds genade verlang,
als ik het in weerwil van mijn angst zou durven.
In Troje en het Griekse leger vindt men
geen ridder van groter faam,
of ik zou mijn leven tegen hem
op het spel zetten:
in dat geval zou de vrees
mij minder beheersen, dan nu ik u
de waarheid moet zeggen. Vrouwe,
doe met mij wat u wilt; wees mij genadig
en hoor mijn misdaad aan:
ik heb u lief boven allen die leven.
Moge God me nooit iets anders ingeven,
of het nu in mijn
voor- of mijn nadeel is.’
Zuchtend hield hij op met spreken.
Daaruit maakte Helena duidelijk op
dat het hem volkomen ernst was.
‘Word wakker, Pollidamas,’ zei ze.
‘Hoor hoe de vogeltjes zingen.
Al zou ik slapen, ik zou er beslist van ontwaken.
Word nu wakker en slaap voortaan 's nachts voldoende.’
‘Vrouwe,’ zei hij, ‘wie in uw nabijheid zou slapen,
zou een grove wandaad begaan.’
‘Die wandaad en die brutaliteit
beging u! U zei zojuist in uw slaap
dingen tegen mij,
waar u spijt van had gekregen
als u ze wakker had gezegd.’
‘Sliep ik?’ ‘Ja, u sliep.’ ‘Of ik nu sliep of niet:
als u het zegt, dan is het zo.
Heb ik in mijn slaap iets verkeerds gezegd?’
‘Ja, dat deed u, maar u besefte het niet.
Daarom zal ik het niet ernstig opnemen.’
‘Mag ik, als ik niet te vrijpostig ben,
vragen wat ik verkeerd heb gezegd?’
‘Ja, dat mag. Eerst vroeg u mij om genade.
Toen dacht ik nog dat u wakker was
en heb ik u antwoord gegeven.
Ik vroeg wat uw misdaad was.
Tenslotte zei u zonder omhaal,
dat u mij liefhad. Toen ik die,
ja ongepaste, woorden hoorde,
waarmee u zich zwaar vergaloppeerde,
besefte ik dat u sliep en droomde.
Daarop wekte ik u.’
‘Och, vrouwe. Men zegt wel vaker
bij zo menige gelegenheid:
waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.’
‘Ja, is uw hart daar dan vol van?!’
‘Genade, schone edele vrouwe!
Of het nu zo is of niet,
ik durf er niet meer over te spreken.
Want ik zou uw toorn niet kunnen torsen
bij al wat ik reeds een tijd lang gedragen heb.’
Helena sprak hierop ware woorden:
‘Een lichte last wordt allengs zwaar
voor wie ze ver moet dragen.
Wie mij goed gezind is, moge God alle goeds geven:
het is billijk dat ik hem alle goeds gun.
Laten we dit gesprek nu voor wat het is.
Als er een wanklank heeft geklonken,
laten we het dan niet te ernstig opnemen.
Laten we naar het zingen van de vogels luisteren.’
Hierop bleven zij nog lang zitten,
terwijl hun gesprek was verstomd.

In zo'n 100 verzen schetst Segher een zeer treffend beeld van waar het in de hoofse minne om draait: geen pronkzucht maar schuchterheid; niet kwetsen maar ontzien; geen triomf maar dienstbaarheid aan de ander. Het is duidelijk dat Segher hier een ideaalbeeld schetst en het is nog maar de vraag in hoeverre de dagelijkse realiteit in de Middeleeuwen hiervan verwijderd was.

Segher Diengotgaf heeft de Nederlandse literatuur een klein meesterwerkje nagelaten. Het had overigens weinig gescheeld of we hadden van Segher en zijn Trojeroman nooit gehoord. De tekst is alleen bewaard gebleven omdat Jacob van Maerlant de tekst integraal heeft opgenomen in zijn Historie van Troje.

Verder lezen
Twee hoofse geliefden, wier liefde wél voorbestemd was, vermeien zich in een tuin.