literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen

Bovenaan de lijst van bestverkochte boeken in de Middeleeuwen staat een gebedenboek. In onze tijd is dat voor veel mensen moeilijk voor te stellen, maar iedere dag op vaste tijden bidden was voor middeleeuwse mensen de gewoonste zaak van de wereld. En bij dat gebed gebruikten ze vaak een boek. Bidden is de manier om in contact te staan met God en regelmatig bidden geeft orde en regelmaat aan de dag en aan het leven. Om voor al die uren van de dag een gebed te hebben, was er het getijdenboek: hét gebedenboek van de late Middeleeuwen.

Bid elke dag - over getijdenboeken

Van oudsher hielden kloosterlingen zich bezig met gebed en ze baden iedere dag achtmaal op vaste uren, die getijden worden genoemd. Achtereenvolgens heten deze uren:

Metten - drie of vier uur ’s nachts of bij het opstaan
Lauden - zonsopgang, ook wel tegelijk met de metten
Priem - zes uur ’s morgens (eerste uur volgens de middeleeuwse telling)
Terts - negen uur
Sext - twaalf uur
None - drie uur ’s middags
Vespers - eind van de middag of begin van de avond
Completen - ’s avonds, of voor het slapen gaan

De getijden gaven niet alleen structuur aan het kloosterleven, maar ook aan het leven voor niet-religieuzen. Op de vaste uren voor het gebed werden de kerkklokken geluid. Terwijl kloosterlingen zich op zo’n moment naar de kerk spoedden, werd van leken verwacht dat ze een kort gebed zeiden (een schietgebedje).

Bij hun gebed maakten kloosterlingen en priesters gebruik van allerlei gebedenboeken die vaak groot en zwaar waren. Daarom ontstond er steeds meer behoefte aan een handzame versie, die iemand als persoonlijk gebedenboek bij zich kon dragen, ook als hij op reis ging. Zo ontstond het brevier (een woord dat is afgeleid van het latijnse ‘brevis’, dat kort betekent). In zo'n brevier stonden gebeden voor de verschillende getijden en voor alle tijden van het jaar: voor kerst, voor pasen, voor de feesten van alle belangrijke heiligen en voor gewone dagen. Het was, met al die gebeden, nog behoorlijk omvangrijk en ingewikkeld van samenstelling. Een beetje merkwaardig als je bedenkt waarvan het woord ‘brevier’ is afgeleid.

De ‘beroepsgelovigen’, zoals je kloosterlingen en priesters zou kunnen noemen, wisten wel raad met het brevier en maakten bovendien tijd om alle gebeden te bidden. Voor gewone gelovigen lag dat anders. Zij hadden hun dagelijkse bezigheden die vaak al tijd genoeg in beslag namen. Bidden kon op werkdagen alleen tussen de bedrijven door. Enkel op zondag of op een bijzonder feest hadden ze meer tijd voor kerkgang en gebed. Voor zulke mensen was er het getijdenboek, dat is ingedeeld volgens de kerkelijke gebedsuren, maar dat veel minder ingewikkeld in gebruik is.

Het getijdenboek bestaat uit een aantal vaste elementen. Het begint met een eeuwigdurende kalender. Daarop staan de feesten van heiligen en andere kerkelijke feesten. Altijd bevat het de Getijden van Maria, een lange gebedscyclus gewijd aan Maria die ontleend is aan het brevier, met gebeden bij elk van de getijden. Ook de boetpsalmen ontbreken nooit. Het zijn zeven psalmen waarmee de gelovige boete doet voor al het slechte dat hij gedaan heeft. Het boek bevat nog meer teksten die in gebedsuren zijn opgedeeld, zoals de Kruisgetijden, getijden van de Heilige Geest en de getijden van de Eeuwige Wijsheid. Verder kunnen er nog korte gebeden instaan, bijvoorbeeld tot bepaalde heiligen, om te bidden voor mooi weer of de genezing van ziekte. Voor iedere gelegenheid was er wel een geschikt gebed. Het getijdenboek besluit meestal met de dodenvigilie, om te bidden voor iemand die gestorven is.

Hoewel het vroegste getijdenboek al uit de elfde eeuw afkomstig is (de eeuw van Hebban olla vogala) was dit boektype vooral in de vijftiende eeuw ongekend populair. Toen waren er veel leken die gebed en liturgie niet meer als een zaak van priesters en kloosterlingen beschouwden, maar als iets waarmee ze zich zelf wilden bezighouden. Veel getijdenboeken waren in het Latijn, maar vooral in de Nederlanden kwam het getijdenboek in de volkstaal veel voor. Toen Geert Grote aan het einde van zijn leven het getijdenboek in het Nederlands vertaalde, was hij niet de eerste die dat deed. Toch werd juist zijn vertaling een onvoorstelbaar succes doordat de Moderne Devotie, de beweging die met Grote begon, een belangrijke rol speelde bij de verbreiding ervan. De tekst is duizenden malen overgeschreven, vaak in eenvoudige boeken, maar ook in boeken die op iedere bladzijde schitteren van goud en mooie kleuren. Het zijn soms ware pronkstukken, maar bovenal waren het boeken voor gelovige mensen die door hun gebed dichter bij God hoopten te komen en een plekje in de hemel wilden bereiken.

Verder lezen
De Brugse kanunnik Joris van der Paele met een brevier in zijn handen. Detail uit een schilderij van Jan van Eyck.
Begin van de Mariagetijden in een Luiks getijdenboek uit de tweede helft van de dertiende eeuw. De tekst van de getijden is in het Latijn, terwijl het opschrift in het Frans is. In de initiaal is Maria met haar kind afgebeeld, onder in de marge staan de heiligen Cecilia en Margareta.