literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen

Wie jong is, denkt over het algemeen liever niet teveel aan de dood. De gemiddelde leeftijd in West-Europa ligt tegenwoordig een eind boven de zeventig jaar. Dus als je zestien, zeventien jaar bent, heb je menselijkerwijs gesproken nog zeker vijftig jaar te gaan. Maar dát je op een dag zult sterven, staat voor ons nog net zo vast als voor, pakweg, Egidius uit Brugge zo’n zeshonderd jaar geleden. Het verdriet om zijn dood wordt bezongen in het aangrijpende Egidiuslied.

Memento mori - over het sterven

In de Middeleeuwen lag de gemiddelde leeftijd in de Lage Landen een stuk lager dan tegenwoordig, rond de veertig jaar (het gaat om een gemiddelde; er waren dus wel degelijk mensen die de tachtig of negentig haalden). De dood lag overal op de loer. Kindersterfte, dijkdoorbraken, hongersnoden, stadsbranden, dodelijke ziekten, plunderende landsheren of grootschaliger oorlogsgeweld beheersten het dagelijks leven. Daarbij stond voor vrijwel alle middeleeuwers als een paal boven water dat ze na het sterven voor Gods rechterstoel zouden verschijnen om verantwoording af te leggen van hun levenswandel. Vandaar dat er voortdurend gehamerd werd, bijvoorbeeld in het allegorische toneelstuk Elckerlijc, op het ‘memento mori’: denk eraan dat je zult sterven.

Anthonis de Roovere bezingt de dood in zijn gedicht Van der Mollenfeeste. Iedereen verdwijnt vroeg of laat onder de grond, en viert daar het macabere feest van ‘mollengijs’, want voor hem bestaan er geen rangen en standen:

Al in dat lantschap vanden mollen
Moet dy trecken sonder waen
Al wildy daer teghen strijen of grollen
Ten mach u helpen niet een spaen
Als de bode coempt tis ghedaen
Hoe jonck, hoe schoone, hoe vroom, hoe wijs
Als d'Opperste ghebiedt, soe moet ghy gaen
Trecken int landt van mollengijs.
Naar het rijk van de mollen moeten jullie
trekken, zonder pardon. Al willen jullie
daartegen morren of protesteren,
dat zal jullie geen zier helpen. Wanneer
de bode komt, dan is 't afgelopen. Hoe jong,
hoe knap, hoe vroom, hoe wijs jullie ook zijn,
als de Hoogste het gebiedt, dan moeten jullie
optrekken naar het land van mollengijs.
[...][...]
Ghy machtighe Poorters ende Bourgoys,
Ghy rijcke Pachters ende Rentieren,
Al zijn u solders vol corens, vol hoys,
U kisten vol ghelts ende u fortchieren;
Ghy rijcke Cooplieden ende Drapenieren,
Al zyn u kisten vol meerssen, vol wollen,
Ghy sult oock moeten trecken logieren
In dat lantschap vanden mollen.
Machtige poorters en burgers, rijke pachters
en renteniers, al barsten jullie zolders van het
koren en het hooi, en jullie kisten en koffers
van het geld; rijke kooplieden en lakenwevers,
al zijn jullie kisten vol koopwaren en wol,
jullie ook zullen moeten gaan wonen
in het land der mollen

De verschrikkelijke pestepidemieën uit de veertiende eeuw eisten miljoenen mensenlevens. Naar schatting een derde van de bevolking van West Europa, voordien 60 miljoen mensen, liet het leven. Een wereldstad als Parijs, 100.000 inwoners, verloor in één jaar tijd de helft van zijn bevolking. Predikers wisten het zeker: dit was een straf van God, die het laatste oordeel aankondigde. Jan van Boendale laat in zijn Boek van de wraak Gods, geschreven ten tijde van de pestepidemie, aan de hand van tal van historische voorbeelden uit heden en verleden zien dat zondig gedrag door God vaak al tijdens het leven wordt afgestraft.

Er was de middeleeuwse mens dus veel aan gelegen om met God in het reine te komen. De geestelijken hadden het daarbij relatief makkelijk: in hun leven van afzondering in kloosters of andere leefgemeenschappen konden ze zich – niet of nauwelijks gehinderd door wereldse geneugten en beslommeringen – wijden aan een leven in dienst van God, zoals Souke van Dorsten in het klooster Diepenveen. De overige standen, de adel, de boeren en de burgerij, waren voor hun geestelijke zorg aangewezen op priesters en kapelaans die dagelijks preekten, de mis opdroegen, de biecht afnamen en de andere sacramenten toedienden, zoals doop, huwelijk en laatste oliesel. De adel en de rijke burgerij beschikte over getijdenboeken, waarmee de dagelijkse dienst aan God werd vormgegeven. Om mensen aan te sporen en toe te rusten tot deugdzaam leven, werden verhalen opgeschreven van mensen die al eerder voorbeeldig hadden geleefd, zoals Liedewij, de maagd van Schiedam.

Als het stervensuur aanbrak was het zaak een priester te vinden die de laatste sacramenten kon toedienen. Zonder dat ritueel achtte men een plaats in de hemel zeer twijfelachtig. In noodgevallen konden deze sacramenten ook door leken worden toegediend. Walewein, ridder van Arturs tafelronde en op zoek naar een zwevend schaakbord, verslaat onderweg een schurkachtige ridder die een jonkvrouw heeft ontvoerd en mishandeld. Zoals het een hoofs ridder betaamt, laat Walewein de stervende ridder niet aan zijn lot over, maar neemt de biecht af en vraagt de jonkvrouw de ridder zijn misdaden te vergeven.

Walewein was blide als hijt sach
Dat also die scone joncfrouwe
Hadde vergeheven met goeder trouwe
Den ridder alle zine mesdaet
Na sinen sin, na zinen raet.
Daer na begonsti zere breken
Want hi qualijc mochte spreken.
Dus lachi ende zweech al stille.
Echt vraechdem Walewein wat hi wille
Ende of hi anders yet begaert.
Nochtoe antwordi metter vaert
Die rudder die daer lach so cranc:
‘Ja ic,’ seit hi, ‘messanc
Mochti mi ghehelpen daer of;
Ende doet mi up een kerchof
Graven, here, dor uwe doghet.’
Deer Walewein seide: ‘Of ghijt doen moghet
Ghelooft mi dan dat ghi te mi
In so wat steden dat het si
Sult comen, als ic jou vermane.’
Die rudder sprac, na minen wane:
‘Ic comer gherne, hebbics de macht;
Ende jaens mi die Gods cracht,
So salict doen, bi mire trouwe.’
Deer Walewein seide: ‘Bi Onser Vrouwen
Ic sal ooc doen dat ghi begaert
Sijt dat God mijn leven spaert.’
Hi nam aerde, daer hi stoet
Onder zinen rechtren voet,
Ende seide: ‘Nu gaept: in Gods name
Ic moneghe jou, dat moete bequame
Gode zijn ende zire Moeder mede.’
Dus staerf hi daer ter zelver steede
Ende hevet zinen ende ghenomen.
Walewein verheugde zich toen hij zag
dat de jonkvrouw zijn wens
en raad gevolgd had door de ridder
in alle oprechtheid
zijn zonden te vergeven.
De krachten van de ridder
begonnen hem nu snel te verlaten,
zodat hij nauwelijks nog kon spreken.
Hij lag daar en zweeg.
Walewein vroeg hem of hij
nog iets wilde of begeerde.
De ridder die daar zo lag te sterven,
zei: ‘Jazeker: een Heilige Mis zou mij
kunnen helpen; en zorg dat ik
begraven word op een kerkhof,
heer, bij uw edelmoedigheid.’
Heer Walewein zei: ‘Beloof mij dan
dat u mij, als u kunt [als geest],
zult helpen als ik u daar om vraag.’
De ridder sprak: ‘Als ik daartoe in staat ben,
zal ik graag komen. Als God
het mij vergunt, zal ik dat doen,
op mijn woord van eer.’
Heer Walewein zei: ‘Bij Onze Lieve Vrouw,
ik zal doen wat u wilt,
als God mijn leven spaart.’
Hij nam wat aarde vanonder zijn rechtervoet
en zei: ‘Doe uw mond open;
in naam van God dien ik u het
sacrament der stervenden toe,
opdat het God en zijn Moeder welgevallig zij.’
Op dat moment stierf de ridder
en kwam aan zijn einde.
(vertaling Rien Wols, 1983)

Gods genade is zo groot dat zelfs misdadigers vergeving kunnen ontvangen, mits ze berouw hebben van hun zonden en de laatste sacramenten ontvangen. Als aan die voorwaarden is voldaan, kunnen ze ook in gewijde grond – in of rond de kerk – begraven worden, en wacht hun de eeuwige heerlijkheid.

In sommige geestelijke geschriften richten de doden zich vanuit het graf op rauw-realistische wijze direct tot de mens om hem aan te sporen tot een deugdzaam leven.
De dood kan overal opduiken en je treffen op de meest onverwachte plaatsen, zo merkt ook deze edelman.