literatuurgeschiedenis.nl | de middeleeuwen

Vakantie bestond niet in de Middeleeuwen, en reizen was vaak geen pretje. Wie reisde in de Middeleeuwen deed dat niet om zich te ontspannen, maar ging met een welbewust doel op pad voor zaken of met religieuze bedoelingen. Alleen edelen reisden nog wel eens voor hun plezier, maar zelfs zulke reizen zouden voor ons een verschrikking zijn geweest. Reizen was zwaar en vol gevaren en toch werd er volop gereisd in de Middeleeuwen en vaak over grote afstanden.

Pelgrims, ridders en kooplieden – over het reizen

De bekendste middeleeuwse reiziger in de Nederlandse literatuur is Sint Brandaan. Deze Ierse abt wordt door een engel op weg gestuurd om met eigen ogen te zien hoe vol wonderen Gods schepping is. De rondreis brengt de abt en zijn monniken langs drijvende eilanden, gezang dat vanuit de diepte van de oceaan klinkt en duivels die het vrome gezelschap met pek bekogelen. De Reis van Sint Brandaan is natuurlijk geen reisverhaal in de moderne zin, ook al gaat de kern van het verhaal terug op historische gebeurtenissen. Daaraan zijn episoden toegevoegd over de wereld zoals men in de Middeleeuwen dacht dat die was. Wie het verhaal over Brandaans reis doorleest ziet dat de monniken gedreven worden door een mengeling van geestelijke motieven en nieuwsgierigheid. Precies deze combinatie zien we bij veel middeleeuwse reizigers, of ze nu handelaars, pelgrims, diplomaten of edellieden waren.

De middeleeuwse literatuur kent veel reizigers. Ridders trekken door verre dalen, onmetelijke wouden en onbekende landen. Pelgrims zijn onderweg naar heilige plaatsen (of doen alsof, zoals Reinaert de vos). En dan zijn er nog de kooplieden. In het verhaal van Floris ende Blancefloer spelen zij een belangrijke rol. Als Floris verliefd wordt op Blancefloer is dat zeer tegen de zin van zijn ouders. Zij geven haar daarop mee aan oosterse kooplieden. Floris reist haar achterna in het spoor van handelaren en vindt haar uiteindelijk terug in Babylon. Dergelijke verre reizen (Floris ging van Spanje naar het huidige Irak) verwacht je niet zo gauw in een tijd zonder auto's, treinen en vliegtuigen. Toch werden ze regelmatig gemaakt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de vele reisverslagen die bewaard zijn.

Een heel vroeg voorbeeld is het verslag over de reis van Willem van Rubroek, een franciscaner monnik die in 1253 eeuw naar Mongolië en China reist. Hij gaat op weg als prediker om het christendom te verbreiden en als diplomaat van de paus. Zijn omvangrijke verslag verhaalt uitgebreid over alle ontmoetingen en over de landen waar hij doorheen reisde. Het is verbazingwekkend nauwkeurig en betrouwbaar en nog altijd van belang om iets te weten te komen over de mensen, de talen en de natuur in Azië in het midden van de dertiende eeuw. Niet veel later vertrekt Marco Polo, een koopman uit Venetië, naar het Oosten. Zijn verhaal is veel fantastischer: hij heeft onderweg vreemde dieren gezien, monsterlijke mensen, paleizen van goud en vorsten die rijker waren dan alle vorsten van Europa bij elkaar. Marco Polo's verhaal bevat heel wat fantasie, en was juist daardoor veel populairder dan het reisverslag van Rubroek.

Veel middeleeuwse reizigers reisden naar het Heilige Land. Ze gingen in de eerste plaats als pelgrim. In dat land was Christus gestorven en had hij geleefd zodat iedere gelovige die in de gelegenheid was daar de heilige plaatsen wilde bezoeken. Maar ze gingen ook uit nieuwsgierigheid naar een verre en vreemde wereld en uit zucht naar avontuur. De reis was zo lang en gevaarlijk, dat ze alleen gemaakt kon worden door mensen met geld. Goede paarden, een schip voor de oversteek van Venetië naar Palestina en een goed gewapend gevolg waren onmisbaar. Vooral edellieden en een enkele koopman maakten zodoende de reis naar Jeruzalem. In kleurrijke verslagen vertellen ze over de grote indrukken die ze daar opdoen. Het gezelschap van Bernhardt van Breydenbach, dat in 1483 naar Jeruzalem reist, ziet in de Sinaïwoestijn een eenhoorn.

Ook Joos van Ghistele, een voorname edelman uit Gent, is naar Jeruzalem gereisd. Zijn reisverhaal is tot een boek gemaakt door Ambrosius Zeebout, een schrijver die waarschijnlijk niet zelf mee op reis is geweest. Zeebout heeft de aantekeningen van Ghistele gecombineerd met allerlei gegevens uit andere, vaak geleerde boeken. Zo is een lijvig boek ontstaan waarin waarheid en boekenwijsheden elkaar afwisselen. Net als in de Reis van Sint Brandaan is de historische kern aangevuld met de meest wonderlijke verhalen. Toch blijft het verhaal in dit geval vaak heel dicht bij de historische werkelijkheid, anders dan bij Brandaan, Marco Polo of de Reis van Jan van Mandeville. In grote lijnen volgen we in Tvoyage van Mher Joos van Ghistele de omzwervingen van de Gentse edelman gedurende de reis die hij maakte tussen 1481 en 1485. Ghistele heeft jaren rondgereisd in het Midden-Oosten, hij is in Armenië en Turkije geweest, heeft de Sultan van Egypte ontmoet en de grote piramiden gezien. En terwijl hij met zijn gezelschap langs de kust van Egypte voer, zagen ze een toren, genaamde Le Tour Darabij [de Toren van Arabië]. Over deze toren wist Zeebout te melden dat Blancefloer er in gevangen had gezeten. Maar een jongeman, met als naam Floris, was haar uit grote liefde gevolgd en hij wist in de toren te komen

bij middele van ender manden vul roosen daer mede hij up ghetrocken wart, mids welken zijlieden naerderhand in zwaren lijdene ende verdriet quamen, zoomen dat te breedere bevindt in haerlieder historien.door middel van een mand vol rozen, waarin hij naar omhoog getrokken werd, en waardoor zij [Floris en Blancefloer] naderhand veel ellende en verdriet kenden, zoals uitvoeriger te vinden is in hun verhaal.

De werkelijkheid van Ghisteles reis is verbonden met de roman over twee verliefde jonge mensen. En zo heeft de schrijver de reizen van de helden in de literatuur gekoppeld aan de werkelijke reizen van een tijdgenoot. In de Middeleeuwen lagen deze twee vaak dicht bij elkaar.

Brandaan is met zijn bootje geland op een vis. Pentekening uit een handschrift met een Duitse prozaversie van de Reis.
Jan Mandeville vaart in een bootje. Detail uit een wereldkaart in een handschrift met de Nederlandse vertaling van de Reis van Jan Mandeville.